Terug naar hoofdpag ....

Etymologisch woordenboek
Woordfamilies
3 februari 2014

Email:
aan@gielsmeets.nl
of giel@smeets.nu
Telefoon 06 81008122, 026 4436536
Wie is mijn opvolger? Ik ben 82 jaar.
Hoe zoek ik een woord op? Bijvoorbeeld het woordje 'vuur'
druk op Ctrl en f tegelijk
typ:
- vuur
min, spatie, vuur
dan vind je het lemma 'vuur'
datum tellerstand, kijkers per dag over een jaar resp over een maand.
1 aug 1 sep 1 okt 1 nov 1 dec 1 jan 1 feb 1 mrt 1 apr 1 mei 1 jun 1 jul 1 aug 1 sep 1 okt 1 nov 1 dec 1 jan 1 feb
107207107382107661107936108062108092108195108301108409108490108582108687108819108977109311109643110076110452111033
11 10,8 10,1 9,6 8,9 8,0 7,3 6,5 6,0 5,4 4,8 4,2 4,4 4,4 4,5 4,7 5,5 6,5 7,8
2,3 5,6 9,3 9,2 4,2 1,0 3,3 3,7 3,5 2,7 3,0 3,5 4,3 5,1 11,1 10,7 14,4 12,1 18,7
Vind je het niet? Stuur mij een E-mail, giel@smeets.nu of bel 026 4436536
Auteursrecht

Intellectueel eigendom
Notariele akte 2006Z16892GZ dd 7 maart 2006 Notariskantoor Zwanikken Velp.
Van Dale Arrest 1994:" ..... woordenbestand dat qua samenstelling een eigen karakter heeft."
Dus alleen gebruiken met toestemming van Giel Smeets.


Ik heb Indogermanisches Etymologisches Wörterrbuch van Julius Pokorny


Wil je publiceren? Stuur E-mail zodat ik de boom kan bijwerken naar het voorbeeld van '- feest'.
Terug naar hoofdpag ....
Woordfamilies: Vragen? Opmerkingen? Aanvullingen? Stuur E-mail.
Wil je iets publiceren, Stuur E-mail waarna ik desbtreffende opnieuw kan bijwerken.
U kunt stukjes overnemen met de muis vanaf de Netscape-browser of vanaf de paginabron, (van menu 'beeld')
Medeklinkers (explosieven) verschoven van Indoeuropees naar Germaans:

labialen		dentalen		gutturalen
i-e	germ		i-e	germ		i-e	germ		
b	p		d	t		g	k
bh	v of b	dh	d		gh	g
p	f		t	th eng > d	k	ch > h	
ph	f		th	th eng > d	kh	ch > h	
Men vindt in i-e en germaans b en p, maar ze staan op een andere plaats.
Bv. Kap ie (hoofd) geeft hoofd en latijns caput.
Kup ie (hol voorwerp) geeft latijns cupa en cuppa, die vandaaruit in het nederlands als kuip en kop gekomen zijn. Geen Germaanse klankverschuiving dus.
Kop betekende eerst hol voorwerp, theekopje, later hoofd.

Het Hoogduits heeft in de vroege middeleeuwen een tweede verschuiving doorgemaakt:
k>ch, t>z, t>ss, p>pf: machen, Zorn, Wasser en Pferd.
d>t, duiken tauchen.

Nederlands hobby: FT>CHT
kroft>krocht, luft>lucht, schaft>schacht, graft>gracht
stiften > stichten, nift>nicht
grieks kw>p
latijn dh>b kw>qu
Franse hobby: maak een é van s of zet een e voor de s.
? Vraagteken verschijnt in twijfelgevallen.
... verschijnt in plaats van een mij onbekende vorm, of deel van een woord.

*aidh indoeuropees (branden) - aithos grieks (brand) - - aithèr (brandende of stralende bovenlucht dicht bij de zon, lucht) - - - ether - aedes latijn (haard) - - aedes latijn meervoud, (haarden, huis) - - - aedificare + facere=maken (bouwen) - - - - édifice frans (gebouw) - - aestas latijn (zomer, hitte) - - - été frans (zomer) - - - eest nederlands (oven). De meeste woordenboeken insinueren dat eest rechtstreeks van *aidh zou komen. Onduidelijk hoe dat zou kunnen. Terwijl verklaring via latijn wel erg verleidelijk is. - - - - Estveld Gelderland 15e eeuw - - - - - Esveld - - aestuarium (kokende eb en vloed, riviermonding) - - - estuarium nederlands (verbrede riviermonding)
*aig indoeuropees (eik) - aigilops grieks (eik) - aesculus latijn (soort eik) - *aik germaans g>k - - eik - - - eikel verkleinwoord (eikel) - - - Ecke 1130 (plaatsnaam in Belgisch Limburg) - - - - Eyke 1440 id - - - - - Maaseik (plaatsnaam in Belgisch Limburg ter onderscheiding van Bergeik) - - - Bergeik plaatsnaam - - Eiche duits
*ak indoeuropees (scherp) - akros grieks (scherp) - - acrobaat + baino=lopen (die op de teentoppen loopt) - oxus grieks (scherp) - - oxideren (roesten) - *akous (oorscherp) - - akouo grieks (horen) - akarnos grieks (ahorn) - - ahorn ned - acer latijn (scherp) - - acetum latijn (azijn) - - - azijn nederlands - - - atek medeklinkerverwisseling, de c werd als k uitgesproken - - - - edik nederlands (azijn) - - acidus latijn (zuur) - acies latijn (scherpe kant) - *okto(u)(de twee spitsen van de handen, zonder duim dus) - - okto latijn en grieks (acht) - - acht ned - *ah germaans k>ch>h - - aar - - egge, eg ned - - Ecke, Eck duits (hoek, kant)
*akw europees (water, als levend beschouwd) - aqua latijn (water) - - aquarium - - aquaduct + duco, duxi, ductum =leiden - - eau frans (water) - - - eau de Cologne + Cologne=colonia=Keulen - - - eau de la Reine (reukwater) - - aquarelle - uisce iers, gaelisch (water) - - uisceabeathhadh + bethu, bethad=leven (levenswater) - - - whiskybae - - - - whisky - *aha germaans k>h - - Aue, Au duits (natte wei) De Auerhaan is er niet van, de "oer"haan evenals de oeros. - - - Reichenau (plaatsnaam) - - - Nassau + nass=nat. Nat land, dorp aan de Lahn, ten oosten van Coblenz - - - auia - - - - Scandinavia +scandi=? - - - ooi (plek bij rivier) - - - - ooibos - - ouwe middelnederlands (land (bij water)). In veel plaatsnamen. - - - oog nederlands (land (bij water), eiland). Schiermonnikoog, het eiland van de schiere=grijze monnikken. - - ei- ned. (water) - - - eiland - - ee nederlands (water) - - Ij nederlands (water) - - a(a) nederlands (water) - - gaawja germaans (collectief van aue, ooi) - - - Gau duits en gouw ned. (landstreek) - - - - ('t) Gooi - - - - Oostergoo - - - - Henegouwen - - - - Oberammergau - - - ga fries - - - - Wolvega (land van de wolven)
*al indoeuropees (voeden) - alere latijn (voeden, grootbrengen) - - altus (hoog) - - - alt nederlands (zangstem vr laag) - - alimentatie - oud nederlands l>u (gegroeid, oud) - - ouders
*al, el, an indoeuropees (ander, vergelijking, ginds). Volgens Larousse. - allos grieks (ander) - - parallel - alius latijn (ander) - alter latijn (de ander van twee) - other engels - ander ned en duits - - anderhalf ned. Hier betekent 'ander' 'de tweede', dus de 1e heel en de 2e half - *alja germaans - - elders - - eli-lendi (ander land, het in een ANDER land moeten leven) - - - ellende - - al-zass (de andere kant, waar mensen hun zate (het zitten) hebben) - - - Elzas
amaca, taal: taino, caribische taal (hangmat) - hamaca 1519 spaans (hangmat) - - hamacarse spaans (schommelen) - - hamac fr - - - hamack 1627 ned - - - - hanghmat 1671. Door volksetymologie gevormd. - - - - - hangmat - - - - - Hängematte 17e eeuw duits
amal germaans (inspanning) - Amalberga + berg=burg=beschermen (beschermster in de strijd) - - Amalia, verkorte naam - Amalaswintha + swinth=sterk (vòòrnaam, Sterk in de strijd) - - Melisenda (dochter van Karel de Grote) - - - Millicent - - - Mélisande frans - - Amalia, verkorte naam
*ambhi, mbhi indoeuropees (naar van aan beide zijden) - amphi grieks - amb- latijn - - ambigo latijn (iets naar beide kanten drijven, twijfelen) - - ambivalent - *mbhi indoeuropees (naar van aan beide zijden) - - *ambi gallisch - - - ambactus +agere=sturen (rondom weggestuurd, gezant) Door Caesar. - - - - ambacht - *ambho indoeuropees (beide) - - ampho grieks (beide) - - ambo latijn (beide) - - beide nederlands (beide)
*an indoeuropees (aan, langs) - ana grieks (omhoog) - - analuein + luein=losmaken (omhooglosmaken, oplossen) - - - analist - aan nederlands - a italiaans - - alla + la lidwoord (aan de, naar de) - - - alla capella + capella=kapel (in de richting van de kapel, in de trant van de kapel) - - - - a capella (zoals in de kerk, koor zonder instrumenten)
*ane, *ani (wind, geest) - anemos grieks (wind) - anima latijn (wind, lucht, ziel) - - unaniem - *ans germaans meervoud (de asen, de goden) (De goden oorspronkelijk van wind en adem , ?later Wodan, Thor en weet ik wie allemaal) - - ase germaans (godheid) In alle germaanse talen verdrongen door 'god'. Zie bij *ghau en *gheu. Heilige namen wilde men nooit uitspreken, die werden omzeild. God betekende waarschijnlijk 'de aangeroepene'. - - - Ases Tot van Grieg, Ase=god. - - *ans + helm (door de goden beschermde) - - - Anselm voornaam (door de goden beschermde) - - *ans + ger, gar=speer (door goden beschermde speerstrijder of speer van god) - - - Ansgar voornaam - - - - Osger - - - - - Osger + geest (geestgronden van Osger) - - - - - - Osgeresgeest plaatsnaam - - - - - - - Oegstgeest - - - - - Oscar voornaam - - - - - - Oscar (filmtrofee, een beeldje) Een van de eersten die dat beeldje zagen zei: 'Die lijkt op mijn oom Oscar.'
*ang indoeuropees (krom) - agkylos grieks (krom) - agkyra grieks (anker) - - ancora latijn (anker) - - - anker. De germanen legden schepen met stenen vast. Toen de Romeinen kwamen leerden ze het anker kennen en namen het met de naam over van de Romeinen. - uncus latijn (haak) - - anglé oud frans - - - cor anglé (hoorn met een hoek, gehoekte hoorn) - - - - cor Anglais (Engelse hoorn). Dit is dus een foute vertaling. De engelse hoorn komt niet uit Engeland. - *ange germaans - - angel - - Angel duits (angel) - - Angul (Het haakvormig gebied van Sleeswijk-Holstein) - - - Angli latijn (bewoners van Angul) - - - - Angle, Engle oud Engels (Angelen, een van de Teutonische volken die Brittanië/Engeland hebben bezet.) - - - - - England engels - - - - - - Engeland
*anti indoeyurpees (voor) - anti grieks (tegenover) - ante latijn (tegenover) - antworde middelnederlands - - antwoord - *and germaans t>d - - und duits - - en ned - - and engels - - and-swaru oud engels (tegenwoord) - - - answer engels (antwoord) - anda werpum middelnederlands (tegen het water opgeworpen dam) - - Antwerpen
*ap indoeuropees (verwijderd) - apo grieks (van) - ab patijn (van -af) - *af germaans p>f - - af - - *after - - - achter nederlands ft>cht
Apollo grieks (god van licht, muziek ed) - Apollonius -latijn (tot Apollo behorend) - - Leun, Leunis, Pleun, en vele nadere namen - - - Loonen, Leunen(s) enz. (familienamen)
*apla (appel) Volgens de Vries. Vercoullie: alleen in germ slav en kelt. - appel 13e eeuw nederlands. Komt in veel verwante talen voor. Germaans, Keltisch, Slavisch.
*apr indoeuropees (ever) - aper latijn (wild zwijn, ever) - *afr germaans p>f - - ever - - - Ever- nederlands (symbool van moed, eerste deel van veel voornamen) - - - - Everhard + hard=sterk - - - - - Evert - - - - Everina voornaam - - - - Everwijn + win=vriend voornaam (vriend van de ever die om zijn moed bewonderd werd) - - Eber duits - *kapr indoeuropees versterkte vorm - - kapros grieks (wild zwijn) - - - caper latijn (bok) - - - - capreolus latijn verkleinwoord (gems) - - - - capra latijn (geit) - - - - - chievre - - - - - - chèvre frans (geit) - - - - - - - chevron (mouwstrepen, (die als twee bokken tegenover elkaar staan)) - - - - capriola italiaans (bokkesprong) - - - - - capriool (bokkesprong) - - - - capricio - - - - keper nederlands (kruiswijs geplaatste dakspanten die aan twee tegen elkaarstaande bokken herinneren, visgraatmotief)
*apsa indogermaans (esp, ratelpopulier) - *aspa germaans (esp, ratelpopulier) p en s verwisseld - - esp nederlands (esp, ratelpopulier) - - - Espedonc (plaats in n.br.) - - - - Esdonk (id) - - Espe duits (esp, ratelpopulier)
archè grieks (kop, begin, oorzaak, het aan 't hoofd staan) - archein gr (regeren, het hoofd zijn) - hierarchie + hieros=heilig - archi- grieks (opper-, hoofd-) - - architect + tekto=bouwen - - arci middeleeuws latijn (opper-, hoofd-) - - - aarts nederlands (opper-, hoofd-, echte) - - - - aartsleugenaar
*ar(e) indoeuropees (rechtleggen, stapelen, samenvoegen) - arthron grieks (gewricht) - - artritis - harmodzo grieks (samenvoegen) - - harmonie - armus latijn (bovenarm) - - arma pluralis (wapenen) - - - armée frans leger - artus latijn (lid) - - artikel verkleinwoord - arm germaans (samenvoeging, gewricht, arm) - - arm (lichaamsdeel arm) - ars latijn (samenvoeging, kunst) - - artillerie - - artifice frans (kunstmatig) - *re - - reri, ratus latijn (rekenen) - - - ratio, rationem acc latijn (rede) - - - - rantsoen (van rationem) - - red, ret germaans (samenvoegen, ordenen, verzorgen van de nodige hulpmiddelen, raad, raadgeving, raad) - - - raten duits (raadgeven, raden) - - - Rat duits (verzorgen van de nodige hulpmiddelen, raad, raadgeving, raad) - - - - heiraten duits. Zie bij Heiraten - - - raad - - - raden - - - to read engels (lezen) - - - rede nederlands (denkvermogen, reeks uitgesproken woorden)
*... taal uit Klein Azië, ten z. van Zwarte Zee - asinus latijn (ezel) - - ass engels - - asellus latijn verkleinwoord - - - ezel - - - - ezelsbrug + brug (gemakkelijk hulpmiddel om iets te onthouden.) in de 18e eeuw als leenvertaling van 'pons asinorum', een wending die een logische verhouding aanschouwelijk maakt. De oorsprong is waarschijnlijk het verhaal van Plinius over de ezel die niet over een brug loopt als hij daar doorheen het water kan zien.
*ath germaans (goed) *athalla germaans (stameigendom in grond) - *odhela germaans (stameigendom in grond) - adel (afstamming, geslacht, adellijk gerslacht) - - al- verkorting 12e eeuw - - - Albert - - Adelheid + achtervoegsel -heid dat oorspronkelijk (soort, stand, persoon) betekende. (Voornaam betekend vrouw van edele) - - - Heidi Duits, Oosterijks Verkorte vorm - edel
*atiska gemaans (zaadveld) - esch nederlands - - es nederlands (bouwland rond dorp)
athlos grieks (wedstrijd) - athlètès grieks - - athleta latijn (athleet) - - - athleet - - athlètikos grieks bijv. nmw - - - athleticus latijn bijv naamw - - - - athletisch
*ar niet indoeuropees (berg) - Arausio latijn + suffix aus (plaatsnaam) - - Orange (plaats zo Frankrijk) - - - Oranje Nassau + Nassau - - - Orange (plaats in California)
*aus indoeuropees (morgenrood, dageraad) - eoos grieks (morgenrood, oosten, godin van de dagraad) - - eosine (roze-rode kleurstof om microscoop- preparaten te kleuren.) - aus-osa - - aurora latijn (dageraad) - ausum sabijns - - aurum latijn (goud) - - - dorar spaans (vergulden) - - - - dorado spaans verl deelw. (verguld) - - - - - eldorado + el=lidwoord (eldorado). Dat lidwoord is er foutief aangehangen. - - - aureo italiaans - - - - aureool - oosten - east engels (oost) - Eostre germaans (godin van de dageraad) - - eostre (feest van die godin op de eerste dag van de lente) - - - Easter engels (pasen)
autos gr (zelf) - automobiel + mobilis latijn=bewegend - autonoom + nomos gr=wet - autodidakt + didaktos gr=mededeelbaar, geleerd - authenticus laat latijn (betrouwbaar, eigenhandig) - - authentiek - autisme
*aweid indoeuropees (zingen) - aweido grieks (zingen) - - aido grieks (zingen) - - - aèdon (nachtegaal) - - aoidos (zanger, profeet) - - - aoidè (gezang, gedicht, ode) - - - - ooidè (gezang, gedicht, ode) - - - - - oideion grieks (zang- of muziekgebouw) - - - - - - odeum latijn (gebouw voor wedstrijden in dichtkunst of muziek) - - - - - - - odéon frans (gebouw voor wedstrijden in dichtkunst of muziek) - - rhapsoidos + raptein=aaneenvlechten (voordrachtskunstenaar) - - komoidia (gezang bij komos=blijspel) - - - comedie - - - komiek - - tragoidia (gezang van de tragoi=de bokken van het drama) - - - tragedie - - - tragisch
Beaudumund (plaatsnaam bij Gloucester, engeland) - Badiminctun (boerderij van de lieden van Beaudumund) - - Badminton (kasteel van de hertog van Beaufort in Gloucestershire)
bajith hebreeuws (huis) - bajes jiddisch - - bajes (gevangenis) - ba'al ha-bajith hebreeuws + ba'al=baas (baas van het huis) - - bal(l)eboos jiddisch - - - bolleboos bargoens (grote meneer, gevangenisdirecteur)
balbus latijn (stamelend, stotteraar) - bobo spaans, 1490 portugees (1490 - - bobo sranantongo (surinaams creools) (slome) - - - bobo na 1950 (belangrijk bestuurslid in de sportwereld) Het woord is in omloop gebracht door Ruud Gullit. Mogelijk heeft Gullit het gehoord van Niezen en het uit het Surinaams begrepen heeft. Zoek ook bonze - - boob(y) amerikaans (dom, domoor, jan van gent) - balbutier frans (stotteren)
batata arawak of taíno op Haïti (plant van de familie van de winde, convolvulacaeae, door de fransen patate douce genoemd) - patata (aardappel) Onder invloed van quetchua 'papa'=aardappel - - patata, batata spaans (convolvulacaea of aardappel) - - - patate frans (aanvankelijk conv. later populair voor aardappel=pomme de terre) - - - - patates frites + frites=gebakken - - - - - patates frites
*ba ba, de letter b (bewegen van de kaak, baby-taal, lalspraak, kindertaal, verg. mamma en pappa.) - baba laat latijn - - baba 1495 spaans - - babbelen 1544 (kaken bewegen) - - Bube duits (jongen) - - babe engels (baby) - - - baby engels. Uitgang -y verkleinwoord - - - baby 1901-1925 ned (zuigeling) - - - bébé 1793 frans (baby) - - - baby 1841 frans (baby) - - bambo italiaans genasaliseerd - - - bambino verkleinwoord
Bermudez spaans (achternaam) - Bermudaeilanden 1000 km oost van Florida am. ontdekt door Juan Bermudez - - bermuda (korte broek)
... indoeropees (?) - beltistos grieks (best) - debilis latijn (zonder het beste) - bolsje russisch (meer, meerderheid) - - bolsjewiek, bolsjewisme (i.t.t mensjewieken, minderheid)
*bha indoeuropees (praten) - phèmi bh>ph grieks (praten) - - eufemisme +eu=goed - phonè grieks (stem, geluid) - - telefoon +tele=ver - - symphonie + sym=samen - fari latijn bh>f praten) - - afasie (niet kunnen spreken bij CVA) - - infans latijn + in=niet (niet kunnende spreken, kind) - - - infantiel (kinderlijk) - - - infanteria it collectiefvorm van kind (kinderen, knapen, voetsoldaten) - - fatum latijn (het gesprokene, voorspelling, noodlot) - - - fataal - - - fata laat latijn - - - - fée frans, (Godin van het noodlot) - - - - - fee (sprookjesfiguur) - - fabula latijn (praatje, vertelling) - - - fabel - - fama latijn (gerucht, roem) - - - faam - - - fameus bijv nw (wie/wat van zich laat spreken, beroemd) - - confiteor +con=met (bekennen, erkennen) - - - confessie (belijdenis) - - profiteor +pro=voor (openlijk verklaren, zich ergens voor uitgeven, van iets zijn beroep maken) - - - professor
*bha indoeuropees (licht, stralen) - phaino grieks bh>ph (ver)schijnen) - - phasis grieks (verschijning (ven een ster)) - - - fase - - - phaedros grieks (stralen) - - - - Phaedra grieks (stralende, mooiste) voornaam. - - phantasia grieks (verschijning, beeld) - - - fantaisie frans - - - - fantasie - - - - fancy engels - - - - - fan engels (toegewijd persoon) dit zou ook van fanaticus kunnen komen. Zie aldaar - - - - - - fanmail + mail=post - - phainomenon grieks (fenomeen) - - - fenomeen - *ban germaans bh>b (gerechtelijke uitspraak) - - ban - - - ban frans (afkondiging, roffel, verbanning) - - - - banlieue frans (voorsteden, randgemeenten)
*bhaduo germaans (strijd) - *beado angelsaksisch (strijd) - Bade, Bate (voornaam) - - Baats, Baden, Batink, Batma, Beets eb honderd andere achternamen
*bhad indoeuropees (goed) - bet- nederlands vnl als voorvoegsel (goed) - - betovergrootvader + overgrootvader (verre voorouder) - - beter - Batou + ou=land (goed land, plaats bij Koedijk) - Batue + ue=land (goed land, plaats bij Ruinen) - {Betuwe komt ws van Bataven< en is niet 'goed land'} - beter nederlands overtreffende trap bij goed (meer goed) - - best nederlands vergrotende trap bij goed - bate middelned (baat) - - baten nederlands (goed zijn) - boeten (verbeteren, bijv. netten boeten) - - boete
*bhag indoeuropees (beuk) - phègos grieks bh>ph (eik, eikel) - fagus latijn bh>f (beuk) - *bag germaans bh>b - - *buooh meervoud (stukje beukenhout, letter) - - - *buoohs meervoud (stukjes beukenhout, letters, boek) - - - - buooch enkelvoud (boek). Het enkelvoud stamt uit de tijd van de betekenis geschreven perkamentboek - - - - - boek. Vercoulli. De Vries twijfelt. Van Dalen betwijfelt 't ook Het zou verwant zijn aan bhagah oudindisch (bezit), wat ik verder nergens terugvind. Duden geeft zonder twijfel de afkomst van het stukje hout weer. En in mijn ogen heeft Duden meestal gelijk. En Vercoulli bevalt mij ook vaak. - - - - - Buch duits (boek) - - beech engels (beuk) - - Buche duits (beuk) - - - Buchstabe duits +Stabe=staaf (stukje beukenhout, id met letter er op) - - boeke 1287 (beuk) - - - beuk - - - boecsta(e)f oud nederlands - - - - boekstaven nederlands (spellen, te boek stellen) - - - Hoboken hoog+beuken (plaatsnaam Antwerpen) - - - - Hoboken (plaatsnaam in New York)
*bhar indoeuropees (tarwe) - farina latijn bh>f (meel) - barley engels (gerst)
*bheid i.e. (splijten) - findere latijn - - fissuur - *beit germaans bh>b en d > t (bijten) - - bijten - - - 0ntbijt + voorvoegsel 'ont (beginnen, doen beginnen) - - beitan germaans - - - beissen duits t>ss
*bheidh i.e. (vertrouwen) - fidelis bh>f latijn (trouw) - *bid germaans bh>b en dh > d - - bidden
*bhel indoeuropees (blinken) - flamma latijn (vlam) - *bhleg indoeuropees (blinken) - - phlego gr (branden) - - - phlox grieks (vlam) - - - phlegma grieks (bepaald slijm dat voor de oorzaak van allerlei ziekten doorging) - - *bhleig indoeuropees (blinken) - - - bleig bh>b germaanse klankverschuiving - - - - bleek - *bel bh>b germaanse klankverschuiving - - blank - - blind (onduidelijk glanzend, vaal, later: blind) - - blunda noors (blinderen, ogen sluiten, slapen) - - - te blunder engels (als blind paard handelen). Woord door de noormannen daar gebracht. - - - - blunder
*bhel indoeuropees (zwellen) - flare latijn (opblazen) - - inflatie - - flageolet - *bel germaans bh>b of v (blazen) - - blazen - - bal - - *bel(d) germaans bh>b of v (opgeblazen, dapper) - - - bald duits (spoedig) - - - bald oud nederlands - - - - Dietbald + diet=volk (voornaam) - - - - - Thibau(l)d, Thibaut (voornaam) - - - - Baldwin + win=vriend (voornaam) - - - - - Boudewijn, Bauduin, Baldwin, Bauwe en vele andere namen - - - boud nederlands (dapper) - - - *bhelgh verlengde vorm (zwellen(van boosheid)) - - - - belly engels (buik) - - - - verbolgen - - - - blaasbalg + blazen - - - *bulon germaans - - - - bula, bule, bulla 972 oud engels (stier) - - - - - bull engels en amerikaans (stier). Zoek ook bulldozer. - - - - bolle fries (stier) - - - - ... Gallisch - - - - - Belgae benaming van het Gallische volk dat Caesar daar aantrof (veronderstelling van Room placenames of the world.) - - - - - - België
*bhendh indoeuropees (binden) - *bendh germaanse klankverschuiving bh>b (binden) - - band - - bind - - bundel - - to bend engels (buigen, bocht maken) - - binden - - ben (mand, ruif) - - beun (vlechtwerk, losse planken vloer boven de eigenlijke vloer) - - böne middelduits (planken verhoging, zolder) - - - bühne duits (podium) - - - bönhase 14e eeuw nederduits (zolderhaas, bedoeld is een kat, arbeider die stilletjes op zolder werkt. Door het gilde vervolgd en gestraft). Ook dakhaas is een schertsnaam voor kat. - - - - beunhaas 1649 (arbeider die stilletjes op zolder werkt)
*bher indo-europees (boren) - forare latijn bh>f (boren) - - perforatie - ber bh > v of b Germaanse klankverschuiving - - boren
*bher indoeuropees (bruin) - bûr perzisch (bruin, vos) - - osmaans, turks (voskleurig) - - - burii russisch (bruin) - - - - boerka (soort mantel) - fer bh > f latijn - - fiber latijn, met verdubbeling (bever) - ber bh > b germaanse klankverschuiving - - beer (de bruine, beer) - - brun oud germaans - - - brunus laat latijn - - - - brun frans - - - - bruno spaans - - - Bruno (naam) Mogelijk stamt Bruno (ook) af van gotisch brunjo, borstharnas. - - - - Breunis, Bruin, Brunsje, Bronk en vele andere voornamen - - - - - Bronks patroniem (achternaam) - - - - - - Jonas Bronk, nederlands immigrant in Amerika - - - - - - - The Bronx (New York, waar bovenstaande een farm had) - - - bruin - - biber met verdubbeling - - - bever (bruine, bever) - *bhereg indoeuropees verlengde vorm (glanzen) - - *breg bh>b germaans - - - bright engels (stralend) - - - brecht in namen (stralend) - - - - brecht + Gijs (kind van voorname ouders) - - - - - Gijsbrecht - - *berk bh>b en g>k germaans - - - berk nederlands (glanzend, stralende boom) - - - Birke Duits (berk)
*bher indoeuropees (koken, bewegen) - phuro gr (mengen, kneden) - - porphuros (kokend, brandend, rood) - - - purper - fervere latijn - - fervent - - fermentum (zuurdeeg, gisting) - bh>b germaanse klankverschuiving - - berm nederl. (wat omhoog komt) - - barm engels (gist) - - - bread (brood) - - brühen duits - - broyen 1286 - - - broeien - - broeden 1285 - - braden (braden, knoeriwerk leveren) - - - brader frans (verknoeien, goedkoop wegdoen.) J'ai bradée ma voiture. Ik heb mijn auto goedkoop van de hand gedaan) De Fransen hebben alleen de bijbetekenis van braden overgenomen. - - - - braderie frans in noord Frankrijk (markt burgers hun spulletjes goedkoop wegdoen) - - - - - braderie 1920 a 1930 nederlands - - - braderie nederlands middeleeuws (gaarkeuken) - - bruid oud Nederlands (vieze vloeistof, kookwater?) vlgns idioomwb v. Dale - - - bruien mdlnederl (weggaan) - - Brühe duits (vleesnat, vleesnat) vlgns idioomwb v. Dale - - - die Brühe davon haben duits vlgns idioomwb v. Dale - - brauen en brouwen - - - Brot en brood
*bheu i.e. (groeien, zijn) - phyein grieks (groeien) - - physis (natuur) - - - physica - fui latijn (ik ben gegroeid, ik was) - - futurus latijn toekomstig deelwoord bij 'zijn' (toekomstig) - - - futuristisch - pro-bho-s + pro=voor (wat recht groeit) - - probus latijn (deugdelijk) - - - probare (onderzoeken) - - - - proef - - - - proeven nederlands - - - - proberen - *beu bh > b germaanse klankverschuiving - - be, bau, bu (zijn, wonen) - - to be engels (zijn) - - *bennen (zijn) - - - ik ben, jij bent - - ich bin, du bist - - buon oud nederlands (zijn, bouwen, wonen), - - - (ge-)buur (die er woont) - - - - buurt - - - - - buurman + man. Soort vriendennaam die tot bijnaam werd, later familienaam. - - - - - - Buurman (familienaam) - - - boer (die er woont en bouwt). 'Boer' is niet van bouwen afgeleid, maar beide staan naast elkaar. De huidige beroepsbetekenis 'boer' ontstaat in de middeleeuwen. Vergelijking met andere standen, adel en burgers, gaf de bijbete- kenis 'dom, grof'. In de sociale orde op het platteland betekende 'boer' dat hij volle rechten had en een boerderij bezat, i.t.t keuterboeren. - - - - keuterboer + keuter, zie bij keuter. - - - bouwen (wonen, betekenis verdrongen door (akker) beplanten, bouwen) - - - - landbouwer + land - - - - gebouw - - - - boede (klein gebouwtje, tent, kraam) - - - - - boedel +achtervoegsel -el - - - - - - boel - - - - - - - warboel, janboel enz. - - Bür oudhoogduits (huis, die er woont) - - - Nachbar (buur) - - - neighbour engels (buur) - - - bulden oudengels. L en u wisseling. - - - - to build, building. Bild duits en beeld nederlands komen niet van deze stam. Herkomst onduidelijk.
*bher indoeuropees (dragen) - phero grieks (dragen) - ferre latijn (dragen) - baren - beuren
*bhod indoeuropees (graven) - fodere latijn - - fossiel nederlands (uitgegraven) - *badja germaanse klankverschuiving bh>b (uitgegraven, uitgegraven ligplaats) - - bed - - - Bett duits Hoogduitse klankverschuiving d>tt
*bhreu, bhru indoeuropees (balk, knuppel) - ... germaans (dam van palen, ook belegd met dikke planken) - - brug - - - ezelsbrug + ezel - - bridge engels - b > p germaanse klankverschuiving - - Prügel duits meervoud (knuppels, pak slaag)
*bhrater indoeuropees (broer) - frater grieks en latijn bh>f - brat russisch en servochroatisch - *brather germaanse klankverschuiving bh>b t>th - - brother engels - - *brader germaanse klankverschuiving - - - Bruder duits - - - broeder - - - - broer - brethren welsh (broer)
Bikini (atol van de Marchall-eilanden) Door een atoomproef werd het in 1946 in tweeën gedeeld.
... germaans (bruid) - brut oud hoogduits - brud oud saksisch - - brudugomo oudn 900-1000 + gom=man, vgl. homo latijn - - bruiloft + loop - bruut, bruyt 1201-1250 mdlnederl (verloofde, jonge vrouw. begrippen 'paren'en 'stoten' zijn nauw verwant) ety v.Dale - - (bruut in moderne betekenis komt niet hier van maar van brutus latijn) - - bruid 19e eeuw (huidige betekenis) - - bruden 1284 (gemeenschap hebben, tot vrouw nemen) ety v.Dale - - - verbruien 1662 (verknoeien) - - bruden 1284 (gemeenschap hebben vandaar kwellen) ety de vries - - - de brui hebben van, ety de vries - - - bruden 1686 (slaan) ety v.Dale - - - - de brui van geven, 17e eeuw (geven=? laten varen) (brui=? slag, klap, poespas) vlgns idioomwb v. Dale - - - - de brui er aan geven 1654 ety v.Dale
*bhabha indoeuropees (boon) - faba latijn (boon) bh>f - - fève frans (boon) - - fabisme nederlands (een enzym-ziekte) - boon germaans: bh>b
*bheidh indoeuropees (vertrouwen, overreden) - fidere latijn (vertrouwen hebben) - - fides (geloof) - - - santa fe + sanctus=heilig spaans (heilig geloof) - - fiducia (vertrouwen) - - perfidus (onbetrouwbaar) - - foedus (verbond) - - - federatie - bh > b Germaanse klankverschuiving - - bittan oud duits (bidden) - - ? biddil frankisch (dienaar) of van bheudh zie onder - - - - bedel oud frans - - - - - pedellus laatlatijn - - - - - - pedel nl - - - beten duits (bidden) - - - bitten duits (vragen) - - - bidden, gebed nederlands - - biddan oudengels - - - bid engels (bieden, bevelen, wensen)
*bheudh indoeuropees (opmerkzaam zijn en opmerkzaam maken) - bodati oudindisch (hij wordt wakker) - - Buddha (de wakkergemaakte, de verlichte) - - - Boeddha - peuthomai gr (horen zeggen, leren) - *beud bh > b dh>d Germaanse klankverschuiving - - biotan oudduits (bekend maken, aanreiken, aanbieden) - - ? biddil frankisch (dienaar) of van bheidh zie boven - - - - bedel oud frans - - - - - pedellus laatlatijn - - - - - - pedel nl - - - bieten duits (aanbieden) - - - bieden nl (laten weten, bekend maken, aanbieden, bevelen) - - - - bod, gebod (gebod heeft nog de betekenis van bekendmaken) - - - - bode (die iets aanbiedt, verkondiger, verteller) - - - - - bodeschap + achtervoegsel -schap, zie bij scheppen (het bode zijn) - - - - - - boodschap 13e eeuw (het bode zijn, het bericht wat de bode brengt) - - - - - - - boodschap 1866 (het bode zijn, het bericht wat de bode brengt, de dingen die gebracht worden, gekochte artikelen). - - - - verbieden - - bjuda zweeds (bieden, vragen) - - - ombudsman +om=over of betreffende (vraagbaak) - - - - ombudsman
boreas grieks (noordenwind) - boreios bijv nw grieks (noordelijk, tot het noorden behorende) - boreas latijn (noordenwind, (dichterlijk") het noorden) - - boreus bijv nw latijn (noordelijk, tot het noorden behorende) - - boré fr (noordenwind) - - - boréal fr (noordelijk) - - - - aurore boréal fr (noorderlicht) - - aurora borealis laat latijn + aurora=dageraad (noorderlicht)
*braema protogermaan (scherp, doornige plant) - brom middel engels - - broom engels (brem) - - - brome (bezem) - - bremel middel engels - - - brambel engels (braambes) - brem nederlands - braam ((vrucht van) braam) - braam (scherpe uitsteeksels na slijpen, breken gieten e.d.) - bramo, brama oud hoogduits - - Brämber middelh duits - - - Brombeere + Beere duits (braambes) - *brambasia germaans en/of frankisch +basia=bes - - framboise frans b-f-verwisseling onder invloed van fraise frans (aardbei) Volgens Larousse, Vlg anderen fraga ambrosia. Misschien wel gelijktijdig. - - - framboos nederlands germaans-romaans-germaans
*braghw europees (kort) - brevis latijn (kort, ruimte en tijd) - - brief oudfrans (kort) - - - brevet frans en nederlands - - - brief nederlands en duits (brief)
brahmana oudindisch (?) - fan chinees, vroeger uitgesproken als bon - - bonso, bozu japans (boeddhistische priester) - - - bonzo spaans portugees? 1618 (id) - - - - bonze frans 1570, ja dat staat er in Larousse (boeddhistische priester) - - - - - ?? duits - - - - - - bonze nederlands bonze 1824 (invloedrijk persoon) - - - - - - - bondsbonze + bond, i.c. de voetbalbond - - - - - - - - bobo, verkort en uitgevonden door Joop Niezen, Sport International. Mogelijk dat Niezen het ooit gehoord heeft (van Gullit) en het opnieuw uitgevonden heeft. Zoek ook bonzo.
*bu, *bhu europees (geluidsnabootsing voor dof geluid) - butio latijn (roerdomp, een vogel) - buteo latijn (een ondersoort van de havikachtigen) - - buson, buison oudfrans - - - busard, 12e eeuw frans (buizerd) - - - - buzart, buysard 1567 nederlands - - - - - buizerd - *buc middelhoogduits (stoot) - - - - beuken ned (stoten)
*bu, *bhu europees (opblazen, geluidsnabootsing) - bulla latijn (blaas) - - bul nederl (diploma). Genoemd naar bolletje lood aan het zegel gehecht. - - bolletino italiaans (zie bul voor de betekenis) - - - bulletin 18e eeuw fr en nederlands - - bulete oudfr (bolletje) - - - billet fr - - - - biljet - - boule fr (bol) - - - boulanger fr (bakker, wie met bollen (brood of deeg) werkt) - bullire latijn (koken) - - bouillon (kookvloeistof, naar de opstijgende belletjes bij koken) - bud engels ((bloem-)knop) - buidel nederl - boos nederl (opgeblazen, boos) ? *bauno protogermaans (opgeblazen, gezwollenheid, (zwelling van de bonenschil, -peul), boon) - - boon - - bean engels - böse duits - - beis jiddisch - - - beisponum +ponum=gezicht jiddisch (isegrim) - b>p germaanse klankwisseling - - pokka frankisch (zak) - - - poche fr (zak) - *bhu europees (opblazen, geluidsnabootsing) - - faba latijn bh>f latijn (opgeblazen, gezwollenheid, boon)
butt europees (vat) - buttis latijn (vat) - - butticula verkleinwoord - - - bouteille frans (fles) - - - - bottle engels - - - - - bottel ned
byrsa grieks ((runder-)huid, leer, trommelvel, wijnzak) - bursa laat latijn - - bourse frans (portemonnaie) - - beurse oud nederlands (beurs) - - - Van Der Beurse 14e eeuw familienaam in Brugge. Makelaars. Het wapen van de familie was drie beurzen, hing boven de deur. - - - - Beursplein. (plein in Brugge waar bovenstaande familie woonde). Werd de handelsplek van Europa. Daar vestigden handelsdelegaties uit alle landen. - - - - - beurs (koopmansbeurs, beursgebouw) - - - - - - bourse frans (beursgebouw) - - - - - - Börs 16e eeuw Duits (beursgebouw) - - - - - - - Börse 18e eeuw Duits (beursgebouw)
*... iberisch of gallisch woord - cant(h)us laat latijn (kant, band van houten wiel, velg) - - epicanthus + epi=op (ooghoekplooi) - - canto italiaans (kant, ooghoek) - - - cantina verkleinwoord italiaans (kantje, afgelogen hoekje, wijnkelder) - - - - cantine frans - - - - - kantine nederlands - - cant oud frans - - - cant middel nederlands (kant in diverse betekenissen) - - - - kant nederlands (kant in diverse betekenissen) - - - - bicant middel nederlands (bij de kant, bijna) - - - - - bicants achter een bijwoord kwam vroeger vaak een s - - - - - - bijkans nederlands - - - cantel oud frans (opstaand deel van muur) - - - - kanteel nederlands
chah persisch (koning) - ... arabisch - - chac mat (de koning is dood). Persisch mat=dood - échecs - schaken
chapac pools (grijpen) - chappen jiddisch - - gappen 1906 (stelen)
chartès grieks (blad van papyrus, daaruit bereid papier) - charta latijn - - carte frans - - - kaart (stijf blad papier) - - *kartsja vulgair latijn (in was gedrenkt papier) - - - cherza oud duits - - - - ka(e)rse 1200 - - - - - kaars
chocolate azteeks - chocolate spaans - - chocolade
choetspa hebreeuws (aanmatiging) - gotspe (brutaliteit)
chordè grieks (darmsnaar) - chorda latijn (snaar, strop) - - corde frans (snaar, koord) - - - koord - - - cordon frans (koord, band, kordon, touw) - - - - cordonnier frans (schoenmaker). Cordonnier heeft het oudere woord 'sutorius'(=naaier, schoenmaker) verdrongen omdat het oude franse woord voor leer 'cordoan' was, leer van Cordone, kortweg leer.
chronos grieks (tijd). Herkomst hiervan is onbekend. - chronometer + metron gr=maat - chronologisch + logos=getal - synchroon + syn=samen - kroniek (jaarboek)
cicer latijn (erwt) - kecher 1478 nederlands (kikkererwt) - - kikker(erwt) nederlands - Kicher(erbse) duits - cicer potjeslatijn (erwt) in de middeleeuwen hier uitgesproken als sieser. - - sisser nederlands (kikkererwt) - cece italiaans (kikkererwt, wrat) - cice frans (kikker-(erwt)) - - chiche 1244 frans (kikker-(erwt)) Pois chiche
*croc, *crac, *cric 13e eeuw frans (krak) - croquer frans (krakken, tr oppeuzelen, opknabbelen) - - croquant
csarda hongaars (herberg) - csardas (dans in de herberg gedanst)
cura latijn (zorg) - curiosus (vol van zorg) - - curieux frans - - curieus nederlands - - securus + se=zonder of weg,gescheiden (vrij van zorg) - - - secuur (nauwgezet) - curare (zorgen) - - curatus - - - curé frans (die de zorg heeft, pastoor van een parochie) - - procurare latijn (de zorg voor iemand of iets hebben) - - - procurator - - - - procuracy engels (kantoor van de procurator) - - - - - proxy (afkorting van procuracy, de actie van een afgevaardigde, machtiging))
... westgermaans - cunt engels spreektaal (vrouwelijk geslachtsdeel) - cunta oud noors (vrouwelijk geslachtsdeel) - kutta, kunta zweeds (vrouwelijk geslachtsdeel) - Kutte nederduits (vrouwelijk geslachtsdeel) - kutte middelnederlands (vrouwelijk geslachtsdeel) - - conte, kunte middelnederlands en oudfries (vrouwelijk geslachtsdeel) Genasaliseerde vorm van bovenstaande - - - kont (13521 vrouwelijk geslachtsdeel, 1741 achterste) - - kut
*de? indoeuropees (richting, besluit, toevoeging) - -de griekse uitgang, suffux (naar, bijv oikonde + oikos=huis, naar huis) - de latijn (betreffende) - do russisch, servocroatisch (tot). bv Do vidjenje (tot ziens) - *te germaans d>t - - toe bijwoord nederlands - - - toe- +werkwoord (richting, sluiten, toevoegen). bv toekomen, komen met richting - - - toe bijvoeglijk naamw. en zelfstandignw (extra) - - - - toetje (extraatje) - - tot voorz ned - - te voorz ned - - zu duits
*dei indoeuropees (glans, stralen) - deiwo (heldere hemel, die als godheid werd gezien) - - deva sanskriet (god) - - dive skr (hemels) - - dios gr (stralend, van god) - - deivos latijn - - - deus latijn (god) - - - - dieu fr - - - - - adieu - - - - - .... div. krachttermen - - - - dios spaans - - - - - a dios, adios spaans (aan god) - - - - deos portugees - - - - - deos javaans (benaming van een Chinese afgod) - - - - - - Joosje 1676 nederlands op Java (duivel) - - - - - - - dat mag Joost weten 1784 (geen mens weet het) - - - divinus latijn (goddelijk) - - - - devin frans (helderziende) - - - - divinare l (voorspellen, raden) - - - - - deviner fr (voorspellen, raden) - - - divus en diva l (god(-in), goddelijk) - - - - diva it (godin, diva) - - - - ? dives l adi. (rijk, goed bedeeld door de goden, naar analogie van miles) - *dyew (god van de heldere dag) - - dyau skr (lichtende hemel) - - Zeus genitivus Diwos > Dios - - Juppiter, +pater=vader (naam, lichtvader). Genitivus Jovis - - - joviaal (Juppiter betreffende) - - - jovis dies (dag van juppiter) - - - - jeudi fr (Donderdag) - - *Tiu germaanse klankverschuiving d>t (de god Tiu) - - - - Tiwez (andere vorm van got Tiu) - - - - - Tuesday e (dinsdag) - - - - Thingsus (andere vorm van got Tiu) - - - - - dinxendach middelnederlands. Het latijn had dies Martis, dag van Mars. In een oud geschrift, 3e eeuw staat een 'god Mars Thingsus'. Bedoeld was de god Thiu, beschermer van de dingen. - - - - - - dinsdag n - - - - - - Dienstag d - *dyen (accusatief van het voorgaande dyew, heldere dag) - - diem latijn (licht dag) - - - dies latijn (dag, licht) - - - - diarium (portie voor een dag) - - - - - diary engels (dagboek) - - - - diu (langdurig) - - - - diurnus (van de dag) - - - - - diurnum, neutrum - - - - - - jour frans (dag) - - - - - - - journaal - - - - - - jiorno it (dag) - - - - hodie +hoc=deze (vandaag) - - - - - hui limburgs (vandaag) - - - - - aujourd'hui fr (op de dag van vandaag) - - - - meridies +medi=half (middag) - - - - - midi fr (middag, zuiden) - - - - - meridianus latijn (van de middag, zuidelijk) - - - - - dimanche +dominica fr (dag van de heer)
*dek'm indoeuropees (tien) - deka grieks (tien) - decem latijn (tien) - - dix frans (tien) - - - dix (aanduiding op tiendollarbiljet in Z-USA, waar frans gesproken werd) - - - - dixyland (het land waar dix op de tien dollarbiljetten stond. - - December latijn (tiende maand) - *dkomt indoeuropees (tien) - - vi-k'mti - - - viginti latijn (twintig) - - *komt indoeuropees (tien) - *tek'm germaans d>t - - tien - - -tig achtervoegsel tientallen bv veertig (tiental) - *dkmtom indoeuropees (tiental) - - *kmtom - - - *kent indoeuropees (honderd) - - - - hekaton grieks (honderd) - - - - centum lastijn (honderd) - - - - *hent germaans k>h - - - - - *hund germaans t>d - - - - - - *hund + *radh=getal, reeks - - - - - - - honderd - - - - - - - Hunderd duits - - - sto russisch k>s (honderd)
*deik i.e. (tonen) - deiknumi grieks (aantonen) - - apodeiknumi grieks (zichtbaar maken, bewijzen) - - - apodeixis gr (bewijs) - - - - apodixis latijn - - - - - apodixa latijn (bewijs, reçu) - - - - - - polizza portugees (bewijs, reçu) - - - - - - - polis nederlands (verzekeringsbewijs) - dicere latijn (zeggen) - *taiknan germaans d>t - - taken oudengels (teken symbool) - - - token engels (teken symbool) - - teken - - Zeichen duits (teken)
*deuk i.e. leiden - ducere latijn (leiden, slepen) - - dux ducis (leider) - - - doge (graaf van Venetie) - - toga - *deuch germaans k>ch>h - - *tauch germaans d>t - - - hertog + her=leger (die het leger aanvoert) - - - t>z duits - - - - ziehen duits - - - - Zug duits (trein) - - - - Zucht (zucht, maar ook nakomenschap) - - - - - Zuchtschwein - - - - - zeug - - - - zucht Nederlands (trek, maar ook nakomenschap) - - - *tau(z)maz germaans (trekken) - - - - Zaum duits (toom) - - - - team engels (toom) - - - - toom - - - - teugel - - - - getuigen - - - - tijgen, getogen - - - - - tocht (reis, beweging, trek, behoefte) - - - - - - Hartstocht, leeftocht, ademtocht.
*dhe, *dha indo-europees (plaatsen) - tithèmi grieks met stamverdubbeling (plaatsen) - - thema - - these - - - prothese - - - synthese - - thèkè (bergplaats) - - - bibliotheek +biblion=boek - - - apotheek + apo=weg, af (opbergplaats, (niet "afzetterij")) - - - - bodega spaans (apotheek, café) - - - - apotiek laat grieks - - - - - botica provençaals - - - - - - boutique fr - - - - - - - boetiek - dh>f latijn - - facere latijn (maken) - - - factio (het maken) - - - - façon fr (wijze, manier) - - - - - fatsoen - - - - - fashion engels (mode) - - - factum (gemaakt) - - - - fait frans - - - - - feit nederlands - - - facies latijn vorm, gezicht - - - - Bonefacius - - - factor - - - - factory engels (fabriek) - - - conficere latijn (verdaardigen) - - - - confetti italiaans (gesuikerde gesnipperde vruchten, confituur, snippers) - - - - - confituur - - - - confectie - - - deficient +de=niet (onvoldoende) - - - perfect + per=door en door - - - effect + ex=uit (uitwerking) - - - proficiat aanvoegende wijs + pro=voor (moge het u van voordeel zijn) - - - - profijt - - - rectificare laat latijn + rectus=recht (rechtzetten) - - - artificiëel +ars=kunst - - - officium +opus=werk (werkplaats, kantoor) - - - - office engels - - - amplificare + amplus=wijd (versterken) - - - - amplifier (versterker) - - - - sacrificium + sacrum-heilig (offeren) - - - facilis latijn (maakbaar) - - - - faciliteit - - - - facolta italiaans - - - - - faculteit - - - - difficilis + dis=verkeerd - - - - - difficult engels - *deh dh > d germaanse klankverschuiving - - doen - - daad - - - Tat d>t hoogduitse klankverschuiving - - - inderdaad - - deed engels - - - indeed
dheigh (vormen (van de aarde), klei of deeg bewerken) - fingere latijn (langs strijken, vervaardigen) - - fictie (gemaakt, verzonnen) - - fixus (vast) - - - fixeren - - - fixe frans - - - - fiks - - afficher frans + ad=aan (bevestigen) - - - affiche - daeza avestisch (muur) - - paradaeza avestisch + para - - - paradijs - deigh dh > d Germaanse klankverschuiving - - deig gh > g Germaanse klankverschuiving - - - dijk
*dhe indoeuropees (zuigen) - *fe latijn dh>f - - felare latijn (zuigen) - - - filius, filia (zoon, dochter) - - femina latijn (de zogende, vrouw) - - felix latijn (vruchtbaar, gelukkig) - - fecundus latijn (vruchtbaar)
*dheigh indoeuropees (vormen, kneden) - daeza avesgisch (muur) - - pairi avestisch +paira=rondom - - - paradaeza avestisch (ommuurd gebied) - - - - paradijs - fingere latijn dh>f - - fictie - - fiction engels (vorming, verzinning) - figura latijn - daizaz germaans dh>d - - dough engels (deeg) - - deeg - - Teig duits d>t in de middeleeuwen (deeg) - - laefdige oud engels +laef=brood (die het brood kneed, huisvrouw) - - - lavedi - - - - lady
*dhem- indoeuropees (roken, waaien) - dimpfen middelhoogduits (dampen, roken) - - damp - - - dempen (in 1599 stoven, dampen, uitdoven, later: dempen) - - m>n 18e eeuw - - - donker - - - Dunkel duits (donker) - - ? Dinkel (riviertje bij Denekamp) - - - - Dinkelaar +laar=achtervoegsel eigenschap aanduidend (achternaam)
*... germaans *dhur indoeuropees (deur) - thura grieks - dh>f latijn - - foris meestal fores meerv latijn (deur) - - fors latijn (buiten) - - - hors frans (buiten) - - de foris latijn (buiten) - - - dehors frans (buiten) - *dur dh>d germaans - - dore middelnederlands (deur) - - - deur - - - doorwaerder(e) middel nederlands 1201-1250 +waerder mdln (deurwachter, portier) - - - - deurwaarder (gerechtelijk ambtenaar) - - door engels (deur)
*dheu(s) indoeuropees (blazen, stuiven, dampen, ademen) - fumus latijn dh>f (damp, rook) - - profumo italiaans - - - parfum - *deuz germaans (dun) Uitbreiding met s-klank - - Dunst duits (damp, wasem) - - dust engels (stof) - *deuzan germaans (ademend wezen) - - Tier duits (dier) - - dier nederlands - - - deerne nederlands (meisje) - - deer engels (hert) - ...+l - - toll duits (beneveld, mistig dol, krankzinnig) - - dull engels (saai) - - dol 1254 nederlands - *dhuez-dhia - - bestia latijn (beest) - - - beest nederlands - - - bête frans (dier, dom bvnmw) - *dheub verlengde vorm - - typhus grieks dh>t (damp, rook) - - - typhus - - - typhlos grieks (blind) - - *daubaz germaans dh>d - - - doof - - - deaf 750 engels (doof) - - - taub duits (doof) - - - - toben duits (doof maken, razen, tieren) - *dunum, *dunom keltisch (hoop (opgestoven) zand, fort) - - Lugdunum (Londen) Volgens Room is de naam Londen ouder dan de Keltische periode en dus de oorsprong niet meer te achterhalen. - - Noviodunum (Neuenburg) - - dun + Breatann (fort van de Britten) - - - Dumbarton in Schotland - - dun oudiers (fort) - - *tunaz, tunan protogermaans (omheinig, duin) - - - tun oudfries - - - tun oudsaksisch - - - tun oudhoogduits - - - - Zaun duits - - - dune, middelnederlands (duin) - - - - duin - - - - Düne duits (duin) - - - tun 900, 1000 oudnederlands - - - - t(h)uun middelnederlands (vlechtwerk van teen, omheinig, de ruimte daarin) - - - - - tuin - - - tun oudengels (ingesloten land (met gebouwen), later 700 dorp) - - - - toun 1330 - - - - - town Engels (ommuurd gebied, na de verovering door de normandiers, frankrijk, kwam de betekenis "stad", vgl in fr ville=boerderij > ville=stad)
*dheub europees (diep, hol) - dh>d en b>p germaans - - diep - - dopen (diep maken, dopen) - - doop (doop, saus) - - - dope amerikaans-engels (vloeibaar mengsel, speciaal dat genot oproept) - - - - doping
*dhur indoeuropees (deur) - thura grieks - dh>f latijn - - foris meestal fores meerv latijn (deur) - - fors latijn (buiten) - - - hors frans (buiten) - - de foris latijn (buiten) - - - dehors frans (buiten) - *dur dh>d germaans - - dore middelnederlands (deur) - - - deur - - - doorwaerder(e) middel nederlands 1201-1250 +waerder mdln (deurwachter, portier) - - - - deurwaarder (gerechtelijk ambtenaar) - - door engels (deur)
*dhreugh indoeuropees (bedrog) - *fraugh latijn dh>f - - fraus, fraudis latijn + suffix -d (bedrog, list) - - - fraude - *dreug germaans dh>d gh>g. Het germaans heeft drie homoniemen *dreug die geen verband met elkaar hebben - - driegen middelnederlands (bedriegen) - - - bedriegen - - - - bedrog - - droom - - Trug duits duitse klankverschuiving d>t - - - Trügen - - Traum (droom)
*dhugter indoeuropees (dochter) - thugatèr grieks (dochter) - dochter - duktè litouws (dochter)
dikein grieks (werpen) - dik-skos - - diskos grieks (schijf) - - - discus latijn (schijf) - - - - discotheek +thèkè grieks +neerzetplaats - - - - disch nederlands (schijf, schotel, tafel). Iedereen had een eigen schotel, eetplank, bord, of hoe je het noemen wil. - - - - - Tisch duits (tafel) Hoogduitse klankverschuiving d>t
*dinghw indoeuropees (taal, tong) - *dingua - - lingua latijn (tong, taal). Onder invloed van lingere=likken - *tung d>t germaans - - tong
Dionysos grieks (God van de wijn) - Dionysios grieks (tot Dionysos behorend) - - Dionysius latijn (tot Dionysos behorend) - - - Denis Frans en ned. (voornaam). Met vele andere: Nijs, Denijs, enz. - - - - St. Denis frans - - - - - Sidney engels (familienaam) Eerst van William Sidney kamerheer van Hendrik II. - - - - - - Algernon Sidney 1622-1683, Graaf van Leicester. Hij was erg populair. - - - - - - - Sidney (voornaam). Gevolg van verering van bovenstaande. - - - - - - Viscount Sidney (staatsecretaris ten tijde van stichting Australische stad) - - - - - - - Sydney (stad in Australie)
*do indoeuropees (naar, tot aan, geven) - -de grieks (naar). bv. oikonde + oikos=huis (naar huis) - didomi grieks (geven) - - dosis grieks (het geven, gift) - - - dosis - - - - dose 1361 oudnederlands. Duden betwijfelt dit. - - - - - - doos - - - - - dose middelfrans (het geven, gift, portie ) - - - - - - dose 1425 engels (voorgeschreven portie, gave) - - - - - - - bulldoze + bull (mannetjesdier) 1876 amerikaans (dosis passend voor een stier, in het Z. van USA op negers toegepast, ww met geweld intimideren) - - - - - - - - bulldozer amerikaans (1876 iemand die met geweld intimideeert, 1930 machine om te egaliseren) - - dotos verl dlw grieks (gegeven, het geven, uitgave) - - - anekdota + an=niet + ek=uit (wat niet uitgegeven is) - - - - anecdote - de latijn (over, van, betreffende) - dare latijn geven - - datum volt. dlw - - - datum - donare latijn (geven) - - donateur - do russchisch, servokroatisch (tot). bv Do vidjenje (tot ziens) - dati russisch, servokroatisch (geven) - - datsja russisch (het gegevene, gift, speciaal in de tijd van grootgrondbezit is een gift een stukje eigen grond, klein huisje, dat door arme sloeber op zo'n stukje grond wordt gebouwd.) - *to Germaanse klankverschuiving d>t - - tot, toe, te nederlands - - zu duits. T>z hoogduitse klankverschuiving.
doernoj russisch (slecht, in W.russ. em oekr.: dwaas) - doerak russisch (sufferd, stommeling). Van de kozakken die aan 't eind van de franse tijd in Nederland gelegerd waren. Ze hadden met de Engelsen de Fransen verdreven. - - doerak nederlands.
*dusizaz proto germaans - dwaas - duizelen - door middelnederlands r-s-wisseling (dwaas) - - god verdore u, mog God u dwaas maken - - - godverdorie - - - - verdorie - ... skandinavisch - - to doze engels (suffen) - - dusi oud engels - - - dizzy
drakoon grieks (fabeldier, slang) - Drakoon grieks (naam van een strengewetgever van Athene, 624 v. Chr.) - - draconisch 1869 nederlands - draco latijn (soort tamme slang, grote slang, draak) - - draak - - dragon frans (draak, 16e eeuw soldaat van de cavalerie naar de vuurspuwende draak in het vaandel) - - - Dragoner duits - - - - dragoener 1666 ned. - - - - - dragonder 1899 - drakontion grieks (van draken) - - dragonce oud frans - - - dragon 1545 nederlands (slangenkruid)
*dreug germaans (verrichten) - driugan gotisch (krijgsdienst verrichten) - *truht (krijgsschaar, koninklijk gevolg) - - drossate middelnederlands (voorzitter van het koninklijk gevolg, drost) + sate mrv imp van zitten - - - drossaard (drost) invloed van bijv. grijsaard - - - - drost
*dreug germaans (droog zijn) - droog - - drogia laat latijn (wat gedroogd is, i.c. kruiden) - - - drogue 14e eeuw frans (wat gedroogd is, i.c. kruiden) - - - - drogiste 1549 (drogist) - - - - - drogist - - - - Droge 17e eeuw duits (dierlijk of plantaardig med. grondstof) Hier geen duitse klankverschuiving d>t omdat het na de middeleeuwen is ontleend. - dry engels (droog) - trog duitse klankverschuiving d>t - - trocken duits (droog)
dshuklo zigeunertaal (hond) - juckel rotwelsch - - joekel 1873
*... west germaans Verschijnt alleen in ned, oudnoors, oostfries - dusen oostfries (draaien, duizelen) - dusa oudnoors (zich kalm houden) - dwaes 1287 middelnederlands - - dwaas - to dose engels (draaien, duizelen) - beduusd - duselen iteratiefvorm middelnederlands - - duizelen iteratiefvorm - - doezelen
*ed indoeuropees, (eten) - dens - tand - tunthus gotisch - - tunthska (vang-)tand - - - tosk fries, (tand)
*eghs, *eghz indoeuropees (uit) - ex grieks (uit) - ex latijn (uit) - - extertior - - extremus - - externus - - extra - - - extraneus latijn (van buiten, vreemd) - - - - étranger frans (vreemd) - - extimus - - emovere latijn (ergens uitdrijven, wegruimen, doen schudden)
*ei, *i indoeuropees (gaan) - ioon grieks (gaande) - - ion nederlands - eo, ire latijn (gaan) - - iter, itineris latijn (reis, het gaan) - - ambire latijn +amb=om of rondom (rondgaan) - - - ambiance - - - ambitio (het rondgaan, bij het volk om stemmen te winnen) - - - ambitare laat latijn (rondgaan) - - - - amtare laat latijn (rondgaan) - - - - - andare italiaans (lopen) - - - - - - andante (lopend, tegenw. dlw.) - - circuire +circus=cirkel (rondgaan) - - - circuitus (rondgang) - - - - circuit - - coire (samengaan) - - - coitus - - exire (uitgaan) - - - exitus - - - isir oud frans (uitgaan) - - - - issue frans (uitstroming, verl. dlw vrouwelijk van isir) - - - - - issue engels (onderwerp) - - inire (ingaan) - - - initium (begin) - - - - initiëren nederlands (in gang zetten) - - subire (van onder komen, opduiken) - - - subitus - - - - subiet nederlands - - transire (overgaan) - - - transito (passage italiaans, doorgaand van verkeer) - - j'irai frans (ik zal gaan) - ianus latijn (doorgang) - - Janus latijn (god met de twee gezichten voorstellende het verleden) - - - januari - - ianua latijn (deur) - - - Janne(s) oud frans (Genua, pl. in Italie) - - - - jean frans (weefsel) - - - - - jeans engels - - ianitor latijn (deurwachter) - ijlen nederlands - eilen duits - *iero substantief van *ei, *i - - jaar (gang (van de zon?), loop, verloop, jaar)
eikenai grieks (lijken op) - eikoon grieks (lijkend op), gelijkenis, afbeelding) - - icon latijn (beeld, gelijkenis) - - - icoon 19e eeuw (Grieks-orthodoxeheiligenafbeelding) - - - - icoon 1985 (pictogram op beeldscherm)
*el indoeuropees (gaan) - elao = elauno grieks (voortdrijven, uitslaan of smeden van metaal, trekken) - - elastos grieks (gedreven, elastiek) - - - elastiek - alacer latijn (opgewekt, levendig) - - allecrus vulgair latijn - - - allegro italiaans - ambulare latijn + amb=om of rondom (wandelen) - - allons, allez frans (1e en 2e pers. tegnw. t. mrv van aller=gaan) - - - allure - - - allee (laan, eigenlijk verl. dlw van aller) - - ambulance - - somnambule frans +somnus=slaap (slaapwandelaar)
*elei, *lei, *el (buigen, vouwen) - ulna latijn (onderarm, ellepijp) - obliquus latijn (schuin, dwars) - alina frankisch - - aune frans (el, 69 cm) - elina, olina oud saksisch oud duits - - el (onderarm > lengtemaat 69 cm) - - elnboga 1000 engels + boga=boog - - - elbow 1200 (elleboog) - - ellenbogo middelnederlands + bogo=boog - - - ellenboog - - Ellenbogen - uilenn oudiers (hoek, elleboog) - - uillina elleboog. ln of len wordt ll - - - uilleann pipe iers, (elleboogpijp, ierse doedelzak)
*en indoeuropees (in) - en grieks (in) - - enteron grieks (darm) - - - enteritis - in latijn (in, op) - - inter latijn (in het binnenste van, tussen) - - - internus latijn (inwendig, in het binnenste (van het huis) zijnde, binnenlands) - - - - interner frans (van de grenzen naar het midden van het land brengen) - - - - - interneren 19e eeuw (in (kamp, ...) onderbrengen van staatswege) - - (interus), interior, intimus (in, meer in, het meest in, intiem) - - - intiem - - intra latijn (aan de binnenkant van) - - - intrare (binnengaan) - - - - entree - in germaans - - in nederlands, duits, engels, enz.
*er indoeuropees ((zich verheffen in beweging komen) - hormao grieks (in beweging zetten) - - hormonen nederlands (lichaamsstoffen die elders iets in gang zetten) - oros grieks (berg) - oriri latijn (zich verheffen) - - oriënt (zonsopgang, oosten) - - - oriënteren nederlands - - origo latijn (oorsprong) - - - origineel - - aboriri latijn + ab=weg (verdwijnen, doodgaan) - - - abortus - ernst (zich bewegen, zich inspannen) - *rei indoeuropees (in beweging zijn, stromen) - - rivus latijn (stroom, beek) - - - rivier - - - derivare (afleiden) - - - - derivaat nederlands (stof afgeleid van iets anders) - - - rivalis latijn (medegerechtigde van een bevloeiingskanaal, medeminnaar) - - - - rivaal nederlands - - rijzen nederlands (omhoog komen) - - reis nederlands (het opbreken, in beweging komen, reizen) - - - reizen nederlands (opbreken, in beweging komen, reizen) - - - - reiser middelnederlands (reiziger) - - - - - reiziger. onder invloed van 't duits. - - reisen duits (opbreken, in beweging komen, reizen) - - - Reise duits (reis) - - rennen - - geronnen bloed (bloed dat gevloeid heeft) - - run engels - *eres, ers indoeuropees (zich heftig bewegen, dwalen) - - eroè grieks (vaart, aanval) - - - exeroeo (ik sla op hol) - - errare latijn (dwalen) - - - erratum - - - error (dwaling) - - ... germaans - - - rasen 1250 middelned en middel hoogduits (woeden) - - - - raaskallen + kallen - - - - rasch 1265 + -isch uitgang (snel) - - - - - ras nederlands nieuwe spelling (snel) - - - - razen - - - ræsan oudengels (aanstormen) - - - - to race engels - - - - rash engels (snel). In de betekenis huiduitslag komt het uit het frans. - - - airzjan gothisch - - - - irren duits (dwalen) - - - - - Irrtum (dwaling) - *reidh germaans (zich in beweging zetten) - - rijden - - - bereid +be (gereed, klaar om te gaan rijden) - - ridder. Ruiter hoort hier niet bij. rupto latijn breken > ruptuarius lid van afgescheiden groep, bendelid > ruiter (te paard) was de kreet. - - Ritter duits - - rit
*er indo-europees (roeispaan) - ramus latijn (roeispaan) - - (roei-)riem nederlands - - Ruder duits (roer, roeispaan) - - roeien nederlands
erzagen ohd (bang zijn bang worden, bang maken) - verzagen 1265 mndl (bang worden)
etymos grieks (waar, werkelijk) - etymon grieks, zelfstand gebruikt bijv. nw. onz. (de wortel van een woord) - - etymologie
*faera protogermaans (gevaar) - far oudsaksisch (hinderlaag, gevaar) - - vaer 1265 middelnederlands (gevaar) - - - gevaar - faer oud engels (onbehagen door dreigend gevaar) - - 1280 fere engels - - - 1375 feere engels - - - - fear engels (vrees)
fakara arabisch (nadenken) - fikir, pikir maleis (denken) - - piekeren 1889 nederlands Indonesie was eerder Boeddhistisch, waar nu nog de tempelresten van de Boroboedoer 9e eeuw van liggen. Ik geloof in de middeleeuwen kwamen de arabieren daar de islam brengen, met het woord pikir dus. De handelsbetrekkingen met Nederland en later de kolonisatie brachten het woord in nederland.
... (vrees) Volgens van Dale etymologie mogelijk verwant aan *faera, zie boven - fresa oud saksisch (gevaar) - - freisa 900 oud nederlands (ondergang) - - - vrese middelnederlands (vrees, gevaar) - - - - vrees
*fallen germaans - vallen - - val - - - toeval, + toe = in jouw richting (wat op je valt, wat je overkomt, lot, insult) - fallen duits - to fall engels
*fid'l germaans (viool) -
*fas, *fes latijn (wat heilig, gewijd is) - fas-num - - fanum latijn (aan godheid gewijd, heiligdom, tempel) - - - fanaticus latijn (door godheid in vervoering gebracht) - - - - fanatique frans - - - - - fan engels (toegewijd persoon) dit zou ook van fancy kunnen komen. Zie aldaar - - - - - - fanmail + mail=post - - - - - - - fanmail nederlands 1950 - - - profanus latijn + pro=voor (liggend, gelegen voor, nog niet in, de heilige plaats, buiten de tempel.) - - - - profane, prophane begin 13e eeuw frans - - - - - prophaen, profaan 1540 nederlands (werelds) - - - - - profane 1450 engels - *fesiae - - feria, mv feriae latijn (feest, rust, (-dagen) In de kath./chr. liturgie kreeg feria de betekenis van 'niet zondag') - - - feire oud frans - - - - foire 1160 frans (markt) - - - - fair 1250 engels ((jaar-)markt, beurs kermis)) - - - feriare, feriari laat latijn (vieren, een vrije dag hebben, uitrusten) - - - - vieren 1285 nederlands. Latijnse e>i voor r in middelned. - - - - feieren duits - - - férie frans 1119 - - - - Ferien duits 16e eeuw - festus bvnw latijn (plechtig, feestelijk, feest-) - - festa mv neutr laat latijn latijn (feest) - - - feste oud frans - - - - feeste 1254? zn vr middel nederlands - - - - - feest 1265-1270 zn onz nederlands. In het middel ned hadden zelfst.nwn bijna allemaal nog een e achteraan Een uitgang zoals in alle talen. De e vervalt ook hier waarna het vrouwelijk woord feeste onzijdig feest wordt. - - - - feast vóór 1200 engels - - - - fête 1080 frans - - - - - fete 1754 engels (feest, naamdag, ww vieren) - - - Fest 1300 duits - - - fiestas spaans las (kermis) - - festivus latijn (feest) - - - festivalis bijv. nw middeleeuws latijn (feestelijk) - - - - festival oud frans - - - - - festival adj vóór 1380 oud engels adj - - - - - - festival 1589 engels - - - - - - - festival 1872 nederlands (groot muziekfeest) - - - - - - - festival 1830 frans, voor de tweede keer dus. - - - festivitas, -atem 4e naamval latijn (feest, vrolijkheid) - - - - festivité 12e eeuw oud frans - - - - - festiviteit 1764 - - - - - festivity engels 1387
*flaût prevençaals (fluit). Sommigen, o.a. Larousse zeggen dat dit een kruising is tussen luit en flaujol. Ik geloof het niet zo. - flute frans (fluit) - - fluit nederlands
*... germaans - vlier - Flieder duits (vlier)
*fok?? westgermaans (stoten) - to fuck engels (coïteren). Coïteren uit 'stoten' treffen we ook aan bij neuken, dat oorspronkelijk ook stoten betekent. - fokken nederlands - foppen nederlands. In zuidbrabants dialect is de betekenis 'stoten' voor foppen ook opgetekend. - foppen hoogduits (foppen, maar ook 'stoten' spec. van windvlagen)
*... - forma latijn - - formosus latijn (mooi) - - formula latijn (vormpje, formule) - - vorm - morphè grieks (vorm, gedaante, schoonheid, soort) - - Morpheus grieks (gedaantevormer, god van de droom, de zoon van Hypnos) - - - morfine (hoofdalkaloied van opium) - - - Morpheus nederlands. 'In Morpheus' armen.' - - morfologie (vormleer)
frigere latijn (roosteren) - frire frans - - frite verl. deelwoord - - - patates frites of pommes frites - - - - patates frites.
flec latijn (buigen) - flectere, flexum latijn (buigen) - - flexibel - - reflectere latijn (terugkaatsen) - - reflector
*furhtaz protogermaans (vrees) - forht - - fryhto, fyrhtu 950 engels (schrik, vrees) - - - frigt 1250 engels (schrik, vrees) - - - - fright engels (schrik, vrees) - fruchte oud fries, (vrees) - vrucht middelnederlands (vrees) - - godsvrucht - - 1285 godvruchtig - furihten oudduits (vrezen) - - fürchten duits (vrezen)
*gal europees - kallojanan g>k germaans ((veel) praten) - - callen 1285 nederlands (praten) - - - raaskallen + raas (zie bij razen) - - - kallen limburgs, nog steeds het woord voor praten - - challan oudhoogduits. In het duits is het kennelijk verdwenen. - - ceallian oudengels (roepen) - - kalla oudnoors, noors - - - to call engels. Uit het Noors. - - - kall noors roeping - nachtegaal + nacht - galw welsh (roepen) - glasu oudkerkslavisch (stem)
gabhal fenicisch (grensstad) - Byblos (havenstad in Fenicië, tegenwoordig Dschubail of Ibail bij Beirouth in Libanon, papyrusbast of -pulp uit Egypte dat daar verscheept werd) - - biblos grieks (bast (of merg) van papyrusplant, daaruit vervaardigd papier, boek) - - - biblion verkleinwoord gr (papier, boek) - - - - biblia meervoud - - - - - biblia sacra (oude en nieuwe testament) - - - - - - biblia chr. latijn. Als enkelvoud vr. opgevat - - - - - - - bijbel - - - - - - - Bibel duits - - - - - - - - Fibel duits (leesboek) - - - - bibel chr. latijn - - - - - bijbel - - - - bibliothèkè + thèkè=bewaarplaats - - - - - bibliotheek
gamos grieks (coitus, in of buiten het huwelijk) - gameo grieks (huwen) - - gamelios grieks (van de bruiloft, feestelijk) - - - ... Etruskisch Niet zeker dat dit van het Grieks gamelios afstamt) - - - - camillus latijn - - - - - Camilla was de naam van de dochter van Metabus, koning der Volscen, gedood door een van de volgelingen van Aeneas. - - - - - Marcus Furius Camillus omstreeks 387 - - - - - St. Camillus van Lellis (1550-1614, 1618?) feestdag 18 juli, zoon van officier van Karel V - - - - - - Camillianen (orde van paters) - - - - - Don Camillo (humorist Guarino Guareschi) Verbreide de naam in 2e helft 20e eeuw. - - - - - Camiel en veel andere variaties (voornaam) - - bi-gamus kerklatijn (twee maal gehuwd). Mengvorming, bi latijn + gamos grieks - - - bigamie - - polygamos grieks (veel vrouwen hebbend) - - - polygamie
gè, gaia grieks (aarde (hemellichaam), land (t.o. zee), bodem, akker) - gigas gen gigantos grieks (giganten: wilde grote zonen van Gaia, uit de griekse sagen, tenslotte door de goden vernietigd, reus) - - gigantikos grieks (reusachtig) - - - gigantisch - - gigas gen gigantis latijn (reus) - - - gigant duits nederlands (reus) - - - gagas gen gagantis vulgair latijn (reus) - - - - géant frans (reus) - - - - - geant, geaunt 1300 engels - - - - - - giant 1350 engels. Spelling veranderd kijkend naar latijn gigas. - - - - - - - giant engels (1559 man, mens van groot postuur)
*geil germaans (gistend, schuimend, krachtig) - geil (idem, overwegend in sexuele zin gebruikt)
*gel(e) indogermaans (samendrukken, tot bol rollen, plakken, en daaruit > kruipen) - globus latijn (bol) - glomus latijn (kluwen, klomp) - - agglomeratie + ad=aan - glus latijn (samengeplakt, plaksel) - - gluten (lijm) - - - gluten nederlands (klevend eiwit uit meel) - - glue engels (lijm) - *kel g>k germaanse klankverschuiving - - kluwen - - klomp - - cloud engels (wolk) - - kloot - - kluit - - klos - - klungel (ineengedraaide masse, klungel) - - *kleb, *kelb + b - - - colf middelnederlands - - - - kolf - - - - - maiskolf + mais - - - - - geweerkolf + geweer - - - - colfbane 1433. Colf was een balspel. Er werd met kolfstokken geslagen. Overal in Nederland lagen colfbanen - - - - - golf 1475 engels. In Schotland opgetekend. - - - - - - golf verspreid zich over heel Engeland - - - kleven - - - club engels (massa, club) - - - kalf (zwelling in buik van koe) - *glem indoeuropees (samendrukken, samenballen) - - *klem g>k germaanse klankverschuiving - - - klomp - - - klamp (iets om mee samen te pakken, haak) - - - - aanklampen - - - - vastklampen - - - klem - - - klemmen - - - klimmen (pakken, zich vastklemmen > klimmen) - - *glembh uitgebreide vorm met bh - - - *klembh g>k germaanse klankverschuiving - - - - to climb engels - - *glemb uitgebreide vorm met bh - - - *klemb g>k germaanse klankverschuiving
*gel europees (koud) - gelu latijn (koude, vorst) - gelare latijn ((doen) bevriezen) - - gelatus voltooid deelw (bevroren) - - - gelatine - - gelati italiaans (ijsco) - - gelée frans (gelei) - - - gelei - - glacies latijn (ijs) - - - glacier frans - - - - gletscher - *kel germaans g>k - - koel - - kalt duits - - koud - - kil
*geldan germaans - fragildan gothisch (vergelden) - geld (bijdrage aan 't offerfeest, waarde, betaling.) - - Gelle voornaam - - - Gellinck (achternaam, zoon van Gelle) - gilde (offerfeest wegens aangaan rechtsverbinding)
*gen i.e. (geboren worden, baren, verwekken) - janah sanskriet (ras) - janati skr (het verwekken) - genos gr (schepping, kind, ras, generatie) - genea gr (geboorte, stam) - - genealogeo gr (geslachtsregister maken) - - - genealogie - gnotos gr (verwant) - gennao gr (verwekken, maken) - gennaios gr adi (edel, aangeboren) - genesis gr (schepping - gegenomai gr - - gignomai gr (ik word) - genere latijn (verwekken) - - gener l (schoonzoon) - - progenies (afstamming, nakomelingschap) - - genitor genitrix (vader, moeder) - - genitura l (geboorteuur, horoscoop) - - genitalis adi. (vruchtbaar) - - - genitalia (geslachtsdelen) - - genitivus (2e naamval) - gigenere>gignere (verwekken) - generare l (verwekken) - - generator - - generatie - - generosus l (edel) - - generalis l (behorend bij een ras, algemeen) - - degenerare (degenereren) - - - degeneren, degeneratie - genius l ('leven verwekkende', godheid die elke man begeleidt, evenals elke vrouw haar Juno heeft) - - genialis l (de genius gewijd, huwelijks-, vrolijk, feestelijk) - - genie n (die buitengewoon begaafd is) - ingenium l (inborst, aanleg) - - ingenieur - - engine engels (machine) - - - enginery engels (genie) - - - engineer e (ingenieur) - - ingeniosus l (scherpzinnig) - ingenuus l (aangeboren, inheems, natuurlijk, vrij) - indigena =indu + gen, l (in het land geboren, inheems, inboorling) - gens latijn (geslacht volk) - - gentilis (van het geslacht) - - - gentil fr (aardig) - - - - gentilhomme fr (edelman) - - - - gentleman e en n - benignus + bene l (goedaardig) - malignus + male l (kwaadaardig) - gen(i)men l (kiem) - - germen id - - - germanus latijn (van dezelfde ouders, broer, echt, waar) - - - - Germaan (volk en naam). ?????? Dit is waarschijnlijk niet waar zie voor andere opvattingen Germanen volksnaam - - - - - German, Germain (voornamen) - - - - - Germain fr (naam) - - - - - - German engels (duitser) - - - - - - - jerry engels (duits soldaat) - - - - - - - - jerrycan + casn=kan (benzineblik). De duitsers hadden zo'n blik in gebruik. De engelsen maakten ze na en moemden ze jerriecan. - - - - hermano spaans (broer) - - - - germanitas - - - - - hermandad sp (broederschap) - - - germana zuster) - gnasci latijn (geboren worden) - - nasci id - - - natus latijn volt. dlw van nasci (geboren) - - - - natalis - - - - natura l (geboorte, natuur) - - - - - natuur en natuurlijk - - - - natio l (natie) - praegnas l (voor de baring, zwanger) - - pregnant nl (overtuigend) - - impregneren nl - *ken, *kin, *kun g > k germaanse klankverschuiving - - *kunjan protogermaans (voortbrengen) - - kuni gotisch (ras) - - kunni oud saksisch (geslacht) - - - kunne nl (geslacht) - - kuninga germaans + suffix -ing (door geslacht bijzonder) - - - koning - - kin engels (ras) - - *kenda (voortgebracht) - - - kind duits en nd (eigenlijk: volt. dlw. voortgebracht) - - - kind engels (vriendelijk, eigen (als een kind)) - - - kind engels (soort)
*geph, *gebh indoeuropees (kaak, mond, knagen, (vr)eten) - *keb germaans - - Kiver, Kivel middelduits (aangezichtsbeen, kaak) - - - Kiefer duits (aangezichtsbeen, kaak) - - keve(l) (kaak, tandeloos) - - - kevels (kaakbeenderen) - - - - kibbeling ((de wangen van) een kabeljauw - - *kife(r)n oud (kauwen, knagen) - - - kever - - - Käfer duits (kever)
*ger germaans (speer) - Gerhard, Gerard +hard=sterk (naam) - Germaan, +man (naam en volk, speerman) NB. Twee afstammingen van Germaan! Zie gen - - Germain frans (naam)
*ger europees (wringen, torderen) - grypos grieks (gekromd, spec. v.d. haviksneus) - g>k, Germaanse klankverschuiving - - kracho oud hoog duits (gekromd) - - krukja (kruk) - - - Krücke (kruk) - - kruka (kruik, domoor) - - - cruche frans (kruik, domoor, gans) - - krokr scandinavisch, van de noormannen, bijv. bootshaak - - - croc frans (haak) - - - - accrocher (aanhaken) - - - - crosse, kruiswoord met krukja, frankisch, zie boven (bisschopsstaf, golfstick) - - kriki oud scandinavisch - - - crique frans (bocht, kreek) - - - - kreek (verbindingswater, bocht) - - crank engels (kruk, handvat) - - - crankle (kronkelen) - - kringelen - - kring - - krank duits (ziek) - - - krankzinnig + zinnig - - krans - - kruipen (zich gebogen voortbewegen) - - - kreupel - - kripja oostduits (gevlochten, voerbak) - - - Krippe duits (krib) - - - krib, kribbe - - - grebe frankisch - - - - crèche frans - - - - - crèche nederlands (kinderverblijf) - - krampo frankisch (gebogen) - - - crampe frans - - - - crampon klimijzer - - - - - crampon nederlands - - Krampf duits - - kramp - - Kraft duits (kracht) - - kraft oud ned - - - kracht nederlands ft>cht - - krom - - kruppa frankisch (bolle massa) - - - krop (voormaag van vogels) - - - croupe frans - - - - grup(p)o spaans en italiaans (groep) - - - - - groupe frans - - - - - - groep
*ger indoeuropees (verzamelen) - gramah sanskriet (groep mensen) - ageiro gr (verzamelen) - - agora (openbare plaats, vergadering, markt) - - - katègoreo (spreken tegen iemand, beschuldigen, beweren) - - - - katègoria (aanklacht) - - - - - catégorie fr (klasse soort) - - - - - - nederlands (onderdeel van klassificatie) - - - - - katègorikos gr (aanklagend, bevestigend) - - - - - - categoricus laat latijn - - - - - - - categorisch - gre-g - - grex gregis latijn (kudde, zwerm) - - - gregare - - - - aggregare (bij de kudde voegen) - - - - - aggregaat - - - - congregare (samenvoegen) - - - - - congregatie - grem indoeuropees (verzamelen, uitgebreidere vorm van ger) - - gremium latijn (wat men (in de schoot) verzamelen kan, schoot vol, schoot) - - - gremium nederlands (verzameling, college van vertegenwoordigers)
*ger indoeuropees (rijp, oud worden) - geron grieks (grijsaard) - - gerontologie (leer van de ouderdom) - - geriatrie + iatros=arts - *ker germaansklankverschuiving g>k - - karal, oud duits (man, echtgenoot, geliefde) - - - Karel (naam) - - - - Karlien, Carolien en vele andere namen - - - Charles frans - - - - Charlotte - - Kerle oudduits (vrij man zonder ridderstand, grove man) - - Kerel - - - stakker zie bij 'stok' - *gran europees - - granum latijn (rijp, korrel, pit) - - - graan - - - pomum granatum latijn + pomum=appel (granaatappel) - - - - granaatappel - - - - - granaat - - - graniet - - *kran germaanse klankverschuiving - - - koren - - - korrel - - - *kernan germaans (kern) - - - - kern
*ger indoeuropees (geluid maken) - geranos grieks (kraanvogel, dans) - - geranion grieks (ooievaarsbekachtige plant, naar vorm van 't zaad) - - - geranium latijn nederlands (ooievaarsbek) - *ker germaanse klankverschuiving g>k - - kraken - - kraaien - - kraai - - Kraanvogel - - Kranich duits (kraanvogel) - - Raaf - - Hark
Germanen volksnaam. Van Dale etymologie: Van latijn Germanus uit het Keltisch, vgl oudiers gairm welsh garm schreeuwen roepen, dus schreeuwer. Volgens anderen is het van germanus=boeder, zie onder de stam *gen Barnhart Concise etymology: germaan, lid van g-stam, .... .... De oorsprong van latijns germanus=germaan is onbekend. De naam is door de germanen zelf niet gebruikt. Ze noemden zich Duits of diets of zoiets wat 'volks' betekent. Duden Herkunfts noemt het niet Larousse: van het latijn, hetwelk schijnt te zijn van keltische origine.
*ges latijn (dragen) - gésere - - gérere, gessi, gestum latijn (dragen) - - - gestum - - - - regesta +re latijn (1e verklaring voor re: re=weer, terug, weg) - - - - - regesta (opnieuw gedaan of weggezet) - - - - - - regesta campanae (klokketouw, klok weggezet, klok op afstand in de toren) (Campanae: "aes Campanae"=brons uit Campanië, de klok. Denk aan campanula, het klokje) - - - - - - - registrum (de i en de r horen er niet in thuis. Naar analogie van epistra (epistel)) - - - - - - - - orgelregister (de lat die orgelpijpen lucht geeft) - - - - regesta +re latijn (2e verklaring voor re: re=zaak, zaak gedaan, past bij boek met akten, gedane zaken) - - - - - register (lijst, boek met namen.) (Voor de i en de r zie boven) - - - - geste (gebaar) - - - gestio, gestire (uitgelaten zijn) - - - - gesticulatio (gebaar) - - - - - gesticuleren - - - congerere (samenbrengen) - - - digerere (uiteenhalen) - - - - indigestie (spijsverteringsstoornis) - - - suggerere (er onder leggen) - - - - suggestie
*geu, *gu indoeuropees (buigen, krommen, welven) - gutr (keel, hals) - *gud, *geud *gudom (darm, iets in het lichaam, iets ronds) - - *k... germaans, g>k (iets bols, iets wat hol is) - - - kuit nederlands (deel van onderbeen) - - - kuit nederlands (eitjes in vis) - - - keutel nederlands - - - Cot oudduits (holte, hol van dieren) - - - cot engels - - - - cottage engels - - - kata zweeds, hut - - - kate, kote, kot, keet nederlands (kleine boerenhoeve) - - - - ..... + kate, kote, kot, keet = achternaam. Op de puntjes staat een bijvoeglijk nmw of een voornaam of iets anders. - - - - - Berenschot (de hoeve van Berend) - - - - - Breeschoten (iemand van een brede boerderij) - - - - - ten Kate - - - - - Doodkorte (van de kate van Doode) - - - - - Duivekot - - - - - Kallenkoot, de kate van Kalle) - - - - - Losekoot (van het losse huis) - - - - keuter (kleine boerderij) - - - - - keuter (kleine boer) - *gut, *geut indoeuropees - - gutur latijn (keel) - - - gorgelen - *guga indoeuropees (kogel) - - *g> k germaans - - - kogel - - - Kugel duits (ronde bertop) - *gupa indoeuropees (holte in de grond) - - gype grieks (gierennest) - - - gyps grieks (gier) - - Koben duits (klein eenvoudig onderkomen) - - - Kobolt (kabouter) - - - kabouter - *geulos indoeuropees (rond vat) - - g>k germaans - - - kuil - - - kiel (van een schip) - *gounom indoeuropees, (wat gewelfd is) - - g>k germaans - - - koon (wang)
*ghau indoeuropees (aanroepen) - *ghuto-m indoeuropees verleden deelwoord (aangeroepen) - - *guda germaans verzelfstandigd verleden deelwoord (het aangeroepen wezen, god) Dit was oorspronkelijk onzijdig. Sinds het Christendom werd het woord in het gehele germ. spraakgebied als aanduiding van Christus gebruikt. Er is twijfel. Mogelijk komt het van indoeuropees *gheu (gieten) in welk geval het zou betekenen: aan wie geofferd (bloedvergoten) is. - - - god engels nederlands. zie ook *a - - - Gott - - - gud zweeds
*ghe, gheu indoeuropees - *ghe, *gheu (open staan, geeuwgeluid) - - chaos gr (leegte) - - - gas 1660, bedacht door de Vlaming J.B. van Helmont - - - - gaz fr - - - - Gas Duits - - chaskein (gapen) - - chasma gr (spleet, muil) - - hiare latijn (gapen) - - - hiaat - - hiscere latijn (gapen) - - geeuwen nederlands - - *ghest (gapend, openscheurend) 1083 - - - gheest (hooggelegen droog land) Substantivering van *ghest - - - - geestgrond + grond (hooggelegen droog land) - - - - gaast oudfries (zandgrond) - - - - - Gaasterland - *ghe, gheu (afgeleide betekenis: verlaten, (weg-)gaan - - gehen duits - - gaan nederlands - - - gang - *ghans (gans). Dit woord bootst het geeuwgeluid na. Het dier is genoemd naar genoemd naar het hese uitblazen met open snavel. - - gans nederlands (gans) - - - gante, gant, gent middelnederlands (mannetjesgans) - - - - Jan-van-Gent 1619 nederlands (id, zeevogel). De naam werd in de 17e eeuw door nederlandse walvisvaarders gegeven. - - goose - - *hanser - - - anser latijn (gans)
*ghel (glanzend) - cholè grieks (gal) - - cholecystits (galblaasontsteking) - - chlore frans (chloor) - - cholera latijn - - - colère frans - - - - 'krijg de klere' - fel latijn (gal) - *gel germaans gh>g - - *glasa germaans gh>g (barnsteen) - - - glasa germaans (glas). Toen de germanen glas leerden kennen van de romeinen dachten ze dat het barnsteen was en noemden ze dat als barnsteen. Barnsteen en glas waren beide uitsluitend sieraden. - - - - glaesum, glesum laat latijn, kerklatijn (glas) - - - - glas - - gal nederlands - - geel nederlands - - gold oud nederlands (het blinkende) - - - goud - - gloeien
*ghe(n)d indoeuropees (nemen) - prai-hendo - - prehendere latijn (grijpen) - - - prendre frans - to get engels - vergeten
*gher indoeuropees (willen, verlangen) - chairo grieks (zich verheugen) - - charisma grieks (genadegave) - - - charisma (gave, uitstraling) - hortari latijn (doen verlangen, aansporen) - begeren - gaarne - girich 13e eeuw (begerig, vraatzuchtig) - - gierig (begerig, behoudend) - - - nieuwsgierig - - gier (vraatzuchtige vogel)
*ghes indoeuropees (gisteren) - hesi latijn locativus - - heri latijn (gisteren) - - - hier frans (gisteren) - *gestra +tra achtervoegsel germaans gh>g (gisteren) - - gisteren
*gheu ie (gieten) - *gheud verlengde vorm - - hundere - - - fundere latijn (gieten, voortbrengen) - - - - diffuus + di=uit elkaar - - *geut germaanse klankverschuiving d>t gh>g - - - gieten - - - goot - - - gjota oudnoors (gieten) - - - - gjosa iteratief (gieten, uitbarsten) - - - - - geisa ((zich) opwinden, opjagen) - - - - - - Geysir ijslands (de spuiter, naam van een bepaalde bron) - - - - - - - geiser - - *ghuto-m indoeuropees verleden deelwoord (aan wie geofferd (bloed vergoten) is) - - - *guda germaans verzelfstandigd verleden deelwoord (god) Dit was oorspronkelijk onzijdig. Sinds het Christendom werd het woord in het gehele germ. spraakgebied als aanduiding van Christus gebruikt. Er is twijfel. Waarschijnlijk komt het niet van *gheu maar van indoeuropees *ghau. zie aldaar. - - - - god engels nederlands - - - - Gott - - - - gud zweeds
*ghost europees (vreemdeling) - hostis latijn (vreemdeling, gast, vijand) - - hostilis bijv nw (vijandig) - - - hosti + potis (gast + heer) - - - - hospes, hospita (gast of gastheer -vrouw) - - - - - hospitalis bijv nw - - - - - - hospitalis domus (huis van de gastheer) - - - - - - - hôpital frans (hospitaal) - - - - - hôte frans (gastheer) - - - - - - hôtel frans (huis van de gastheer) - - - - - - - hotel - gosti russisch (gast) - - gospodin russisch (heer) - *gostiz germaans gh>g (vijand of gast, na de middeleeuwen alleen gast) - - gast - - guest engels (gast)
*ghrebh indoeuropees (uithollen) - *greb, grev germaans gh>g, bh>b of v - - graven - - - *graft - - - - gracht nederlands ft>cht
*ghrem indoeuropees (boos of dreigend geluid maken, boos zijn) Geluidsnabootsing. - chremizo, chremetizo grieks (hinniken) - *grim germaans gh>g - - gram Nederlands (boosheid). - - - 'zijn gram halen' (uit boosheid zijn gelijk willen hebben) - - - grimmig - - grommen - - gram duits (boos) - - grimm duits (toorn) - - grim engels (grimmig, streng) - - grima frankisch (vertrokken gezicht, masker) - - - grimazo oud spaans - - - - grimace, grimasse frans - - - - - grimas - gremeti russisch (donderen, lawaai maken) - grom russisch (donder) - - pogrom russisch + po=op (verstoring, hetse)
*ghreu indoeuropees (raken, verbrijzelen) - rudus latijn (puin) - rudis latijn (ruw, onbewerkt, ononderwezen) - - rudimentum latijn (eerste onderricht) - ruina latijn (ruine) - *greu germaans gh>g - - gruis - - grauen duits (angst ondervinden) - - gruwel - - groot? (angstaanjagend, verschrikkelijk, groot) volgens Larousse - - gries (gemalen) - - - groot? (grofkorrelig, groot). Volgens van Dale.
*ghro indoeuropees (omhoogsteken, groeien) - gras-men - - gramen latijn (gras, plant) - groeien - - *groeiend - - - groen - - - - groente - gras - *gran slavisch (hoek, kant, grens) - - granitsa pools, russisch (grens) - - - grens. Het woord 'mark' werd verdrongen.
*graedazaz germaans (begerig) - 750 graedig oudengels (begerig) - - 1175 greedy engels (begerig) - gradag saksisch (begerig) - - gradich oostmiddelnederlands (gretig) - - graag - - gretig - gratag oudhoogduits (begerig) - Grate, Graats, Graetske, Gratske, Gratje voornamelijk Friese Voornamen, deels verouderd - - Graats - - - van der Kraats, achternaam, patroniem, zoon van Graats. (van der Kraats kan ook afgeleid zijn van een plaatsnaam Kraats, gld betekenis onduidelijk. Kan zijn van Kretsgronden, waar de zeis vanwege hardheid van het gras een geluid maakt. Krats=streep, kras.)
*gwen, *gwem, *gwa indouropees (gaan, komen) - baino grieks (gaan) - - basis (stap, tred, fundament) - venire latijn (komen). Veni vidi vici, ik kwam, zag en overwon. - - advenire +ad=aan latijn (er bij, er aankomen) - - - aventure frans (gebeurtenis) - - - - avontuur - - - aventurero spaans (avontuurlijk) - - - - estomago aventurero + estomag=maag (avontuurlijke maag, klaploper, tafelschuimer.) - - prevenire latijn (voorkomen) - - - preventie - *kwem g>k klankverschuiving - - qiman gothisch - - komen - - - toekomst + toe - - kommen duits - - - bequem duits + bij (toekomend, passend, aangenaam, gemakkelijk)
*gwer indoeuropees (slikken) - vorare latijn (slikken) Sicut leo rugiens querens quem devoret, als een brullende leo, zoekende wien hij zal verslinden. - - carnivoor + caro carnis latijn=vlees (vleeseter) - - omnivoor +omnis=alles - *gwerg verlengde vorm van -gwer (idem) - - gurges gurgitis latijn draaikolk, afgrond, veelvraat) - - - gorges frans (keel, hals) - - - ? gargon oudfrans (gesjilp) Dit is niet zeker. Misschien geluidsnabootsing. - - - - - jargon (groepstaal) - - - gurgulio latijn (luchtpijp keel) - - - - gorgel 1470 nederlands (strottenhoofd) - - - - - gorgelen 1552 nederlands
*gwey indoeuropees (leven) - bios gr (leven) - - bioscoop +skopein gr=kijken - - biograaf + graphein gr=schrijven - - biologie + logos=getal - - microbios + mikros gr=klein - - - microbe - gios - - eugios + eu=goed - - - hygios gr (gezond) - - - - hygiene - *gwye indoeuropees (leven) - - zao gr (leven, ww)) - - - zoon (levend) - - - - zoologie + logos=getal - *gwiw indoeuropees (leven) - - vivere latijn (leven) - - quius gotisch (levend) - - - kwiek - - - kwik(-zilver) - - - - kwikthermometer +thermos=warm + metron=maat - - - verkwikken
*gwher indoeuropees (warmte) - thermos grieks (warm) - *gwhor indoeuropees (warmte) - - formus latijn (warm) - - - fornax acc fornacem latijn (oven) - - - - fornaise oudfrans - - - - - forneis(e)1270 oud nederl - - - - - - fornuis - - - - caliente fornalla spaans (heet fornuis, hete oven) - - - - ? Calefornië - warmaz germaans - - warm - - - warmos + mo(e)s=spijs, moes, brij middelnederlands (warme soep, spijs, warme groentespijs) - - - - warmoes middelnederlands (warme groentespijs, later groente ook ongekookt) - - - - - warmoes (groente) - - - - - - warmoezenier (groentekweker) - - varit russisch (koken) - - - samowar russisch (zelfkookapparaat voor thee)
*gwoe indoeuropees (geluidsnabootsing, rund) - bous gr (rund) - - Bosporus + porus=weg door water, wad - - bouturon gr (koekaas, boter, bous + turon=kaas) - - - butyrum latijn - - - - boter ned - - hekatombe (offer van 100, hekaton, koeien) - - boubalos (buffel) (stamverdubbeling) - - - bufalus laat latijn (buffel) - - - - buf(f)alo spaans, italiaans - - - - buffle oudfr - - - - - buffel ned - - - - bugle oudfrans (buffel) - - - - - bugel ned (koperblaasinstr.) - bos bovis latijn (rund) - - bucina jachthoorn van koehoorn - - - bazuin ned en Posaune duits - - boeuf frans (rund) - - - beef engels (rundvlees) - - - - biefstuk ned - - bovarius latijn (koehond) - - - bouvier fr ned (koehond) - g > k Germaans - - koe 1285 ned - - - koevoet - - - koepokken - - - Coevorden + voorde=doorwaadbare plaats - - cow engels - - - cowboy - - Kuh duits - - ko zweeds
habher hebreeuws (vriend) - chawwer jiddisch - - cabber 1769 - - - gabbert 1844 - - - - gabber
Hic, haec, hoc latijn (deze, deze, dit) - hoc - - oc oud frans - - - oc zuid Frankrijk (ja). In het zuiden van Frankrijk is 'oc' als 'ja' blijven bestaan. Daardoor ontstond het taalonderscheid 'Langue d'oc' tegenover 'Langue d'oui', in het noorden. De provincie bij Montpellier heet nu nog Languedoc. - - - o oud frans - - 'hoc ille fecit' antwoordzinnetje ('dat heeft hij gedaan') + ille pron. demonstr. (die daar!) + fecit=heeft gedaan. Neem 'fecit' niet te letterlijk. Vgl. Engels 'to do', 'Yes, I did', 'I didn't' - - - - 'o il (fecit)' Samentrekking. Fecit was de herhaling van het ww van de vraag, en kon dus weggelaten worden. Dus zoiets als 'Heeft Pietje dat gedaan?' antw.: 'o il (fecit)' 'dat hij (heeft gedaan)' - - - - - 'o il'. Er bestond ook 'o je' 'ja, ik' en 'o tu', 'ja jij' maar 'o il' ging overheersen. - - - - - - oui frans (ja)
*hairaz - har, hoar oud engels (grijs, eerbiedwaardig) - ... west germaans (haring) Haring zo genoemd wegens kleur. Het is niet zeker dat haring afstamt van *hairaz. - - herinc middel nederlands - - - haring. - - hareng 1130 oud engels (haring) - - - heryng 1300 - - hereng oud fries - - herink middel hoog duits - - - Hering duits (haring) - - (h)aringus mlatijn - - - hareng frans
hajjoth hebreeuws (beesten) - chajes jiddisch - - gajes 1927 (volk, pejoratief) - - - befgajes +bef=witte doek voor de borst van rechters e.d. Bargoens (rechterlijke macht)
hakham hebreeuws (wijs) - choochem jiddisch (wijs) - - goochem nederl. (slim) - - chis, gis (naar de eerste letters van choochem, de letter ch, genaamd chet of ches, de 8e letter in het hebr alfabeth) - - - gis bargoens (slim)
Hallo. van Dalen vier mogelijkheden: 1. Uit Engels, klankschilderend van honden ophitsen, 'to halloo' 2. Ook uit engels, maar dan uit klankschilderend oud frans halloer 3. nederlands halen, (op-)halen, kreet uit de scheepvaart. De Vries heeft het o.a. ook over halen. Vercoulli, Nederlands Belgisch vermeldt het niet. Devoto Italiaans: allo komt van frans allons, laten we gaan. Hetzelfde zegt Larousse, Frans. Robert Frans: in 1880 uit het Engels of Amerikaans gekomen is mèt de telefoon. Corominas, Spaans vermeldt het niet. In mijn geheugen, ooit gelezen (?), krant b.v. dat hallo van Spaans ole kwam, wat uit Amerika (indiaans?) holé zou komen. Dat laatste staat ook in Corominas. In mijn tegenwoordige boeken vind ik dat niet meer, dat hallo zou afstammen van ole. Hallo, bent u daar nog? Bent u nog bij de les? Duden, Duits: de veerman moest komen met zijn bootje en ze riepen holen (= halen) >holla, > hallo Ik probeer www.etymologie.nl Daar moet ik inschrijven, inschrijven voor een licentie op www.etymologie.nl. Wat is dat allemaal? Ik haak af. In het middelnederlands woordenboek vind ik holla, 16e eeuw. Geen afstamming vermeld. Barnart engels zou hetzelfde moeten zeggen als van Dale want het Nederlands zou van het Engels komen. Niet dus. Hallo en hello komt van hallo 1840, wat komt van hollo of holla, uitroep om aandacht te trekken, wat misschien zou komen van de uitroep, holla = stop of hou op. Oxford conscise heeft het ook over honden ophitsen voor de race. Maar het kon ook van hollo komen, wat via holla uit Frans hola zou komen. Duidelijk?
hasjiweinoe hebreeuws (voer ons terug, tekst uit eredienst) - gasjewijne, sjewijne, kassiewijle e.a. ( .. verdwijnen in de dood, en andere betekenissen)
he hebreeuws (letter h, 5e letter van hebr alfabeth met betekenis 5) - heitje (kwartje=5 stuivers)
heid germaans (soort, geslacht, stand, persoon) - heid westgermaans, achtervoegsel (soort, geslacht, stand, persoon)
hen hebreeuws (gunst, lieftalligheid) - chein jiddisch (gunst, leuk) - - gein 1906 (lol)
hermèneuein gr spreken - Hermes (naam)
*hladhsti germaans (lading) - laden - last
*hlaiba germaans en slavisch (ongezuurd brood) itt brood, wat gezuurd was. - chleb russisch (brood) - hläf oud engels - - loaf engels (brood) - - hläfdige oud engels (die het brood kneedt, huisvrouw) - - - lavedi - - - - lady - - hlaford oudengels (broodbewaker). -ord komt overeen met ons woord 'waard'. Zie ook elders "lord" - - - lord engels
*hlaup germaans (huppelen, lopen) - hlaupan germaans (lopen) - - lopen nederlands - - - klaplopen + klap (lopen met de klapspaan (zie klapspaan) De mensen zetten voor de melaatsen die met de klapspaan liepen eten en drank neer.) - - - *lopt - - - - *loft - - - - - bruid + *loft - - - - - - bruiloft - - wala hlaupan, wela hlaupan frankisch (goed springen) - - - walaupare - - - - galoper frans (galopperen, - - - - - galop nederlands - - to leap engels (springen) - - fierljeppen + fier=ver fries (vérspringen)
*hug germ (denken, geest, verstand) - Hugo Frans 10e eeuw (naam) - - Hugenoten 1565, (analogie met Eidgenossen, zw. duits, naar Hugo Besançon, uit Genève. - Hug ohd - huge mnl - - hoge, heuge, huege, mnl (gedachte, volijkheid, herinnering. Vergelijk: tegen heug en meug, verheugen) - - geheugen
iaomai gr (helen) - iatèr of iatros (arts) - - archiatros laat latijn + archè=kop, begin, het voorgaan, overheid (hoofdarts, hofarts) - - - arts - - psychiater + psychè=geest
ino indoeuropees achtervoegsel (behorend bij) - suino (su indoeuropees=zwijn+ ino) - - zwijn - farchina germaans (pork indoeuropees=varken + ino) - - varken - pulin germaans (pu indoeuropees=kind, jong van dier) - - poolos grieks (veulen) - - Fohlen duits (veulen) - - veulen
jajin hebreeuws (wijn) - jajem (jenever)
jad hebreeuws (hand - jat - - jatten (stelen)
jeneprus? keltisch (stekelig) - juniperus latijn - - jeniperus vulg latijn - - - geneivre oudfrans - - - - genever, genivre, jenever, gengevar 1253 middelnederlands (jeneverbes, jeneverstruik) - - - - - jenever 1672 (alcoholische drank) Moutwijn waar jeneverbessen aan zijn toegevoegd voor de smaak wordt gedestilleerd tot jenever.
jod hebreeuws (letter j, 10e uit hebr alfabeth met waarde 10) joetje (tien gulden)
jopheh hebreeuws (aangenaam, nuttig) - jofel
Juda hebr (naam) - Jehudi hebr (Jood) - Judith hebr (Joodse vrouw) - jüdisch duits - - jiddisch (Dezelfde klankverschuiving zien we in übel > iebel) - jood - - jodenkoek + koek. Volgens de fabrikant Enkhuizer Banket is het recept voor jodenkoeken in de jaren twintig door deze firma gekocht van een joodse bakker in Enkhuizen die met pensioen ging. Volgens de fa Davelaar in Alkmaar, waar sinds 1883 jodenkoeken worden gebakken, houdt men het erop dat in de vorige eeuw een of meer joodse bakkers op het West- Friese platteland het recept hadden. De koek werd niet gebakken voor consumptie tijdens de tocht naar het paasfeest. Het joodse geloof verbiedt om Pasen producten met gist te eten. Ze eten dan de matse.
*kad i.e. (beschermen - cassis latijn (helm) - *had germaans k>ch>h - - hoed - - hat engels (hoed)
*kai(d) indoeuropees (helder) - kaid-lom - - caelum latijn hemel - - - celestisch (hemels) - -heid suffix. in bv gezondheid - *hait germaans k>h d>t - - heiter duits (vrolijk) - *kail europees (gezond, gered) - - *haila, *hailiz germaans k>h - - - heel - - - - heil (welzijn, redding) - - - Heil duits (geluk, gelukkig toeval, gezondheid, verlossing van zonden (onder invloed van christendom)) - - - heil duits (gezond) - - - whole engels
*kait-ya indoeuropees (bosland) - *haithijo germaans (onbebouwd wildgroeiend land) - - heide nederlands Duits (heide) - - heath 1330 engels (heide)
*kailo indoeuropees (heil(-ig), heel, onbeschadigd) - caelum latijn (hemel) - *hail germaanse klankverschuiving k>ch>h - - heil duits, Nederlands - - heilig duits, nederlands - - heel nederlands - - whole engels, (heel) - - hallow schots en engels (heilig) - - - allhallow-even 1656 schots (de avond van alle heiligen.) Laatste avond van oktober. In de keltische kalender begon het jaar op 1 november. De kerk maakte van 1 november Allerheiligen. - - - - Halloween 1745
*kagh indoeuropees (omheining, hek) - cavus latijn (hol) - cavea latijn (kooi) - - jaiol oudfrans - - - jail engels (gevangenis) - - - gaol engels - - - - gaol - *hag k>g germaanse klankverschuiving (hek) - - haghe, hage middelnederlands (haag, bos van laag hout, van doornstruiken) - - - haghetisse middelnederlands. Wat 'tisse' was is niet duidelijk. In het Ijslands bestaat voor heks 'tünrida', vrouw die op 't hek zit. - - - - haghedisse 1301-1400 - - - - - hagedis - - - - Hagzissa oud hoogduits 8-11e eeuw. Mogelijk samengesteld uit 'Heg' en iets als '*tysja'=elf of misvormde vrouw. 'Spook dat op het hek zit'. vlgs Duden - - - - - Hexe duits einde middeleeuwen (heks, boze vrouw die met de duivel omgaat, boze vrouwelijke geest) - - - - - - hexe 1410 Van Dalen ety - - - - - - - Hexe als titel van Sotternie, als tovenares 1562. Van Dalen ety - - - - - - - - heks - - - 's Gravenhaghe + v.d.graaf (boslanden en puntige omheining die oorspronkelijk het jachtgebied van de graven van Holland omgaf.) - - - - 's Gravenhage - - - - den Haag - - - haag - - heg - - Hag duits (heg) - - *hak g>k germaanse klankverschuiving - - - hek
kahwa, qahwa arabisch (wijn, later ook koffie)) - kahve turks - - caffé italiaans. In de 16e 17e eeuw brachten Venetiaanse kooplieden het goedje mee uit Turkije. - - - café frans (koffie) - - - - koffie nederlands - - - - - kofe russisch. Inderdaad van het Nederlands. - - - - café nederlands (café) - - - café spaans - - - - cafetero spaans (koffiehuisbezitter) - - - - - cafetero op Cuba (koffiehuisbezitter) - - - - - - cafetaria engels (koffiehuis) - - - - - - - cafeteria 1926 nederlands
*kal europees (warm zijn) - calere latijn (warm zijn) - - calorie - *hal germaans k>ch>h - - (h)lauw. Met ruilen medeklinkers - - leuk 1709 (lauw, doodkalm) De betekenis lauw komt nog in dialecten voor. - - - leuk 1898 (traag, flegmatiek > aardig, leuk)
*kalm europees (kalmoes) - calamus latijn (kalmoes) - *halm germaans k>ch>h - - halm - - helmgras
*kan i.e. (zingen) - canere latijn (zingen) - - cantor - - cantare latijn (zingen) - - - chanter frans - - - - faire chanter quelqu'un (iemand laten zingen, iemand tot bekennen dwingen) - - - - - chantage - *han germaans k>ch>h - - haan
*kan i.e. (hol zijn) - kanna grieks (riet) - - kanon grieks (rietstok, lineaal, regel, richtlijn) - - - canon latijn (regel, richtlijn) - - kannabis grieks (hennep) - canna latijn (riet) - - kaneel verkleinwoord - - kanaal - *han germaans k>ch>h - - hennep
*kank indoeropees (hangen, aarzelen) - çankate sanskriet (hij aarzelt) - cunctari latijn (aarzelen) - *hanhan germaans k>ch>h (hangen) - - hanga ijslands - - hangen duits en nederlands (hangen, verlangen) - - - hunkeren iteratief van hangen (herhaaldelijk of sterk verlangen naar) - - hengen, hängen duits - - - henken duits - - - - Henker duits (beul) - - hangi germaans (helling) - - - Hang duits (helling) - - - Hengelo +lo zie leuk - - - hang (verlangen)
-k suffix germaans (frequentatief, uitgang om herhaling aan te geven) - balken + bellen=geluid maken middelnederlands vgl duits bellen=blaffen - bulken id - schurken + schuren - snurken + snorren - to talk engels + tale of + to tell - to stalk engels + stallen=neerzetten (herhaaldelijk zich opstellen dus) Volgens de taalkalender. - - stalken (hinderlijk achtervolgen) - to hark engels + oude vorm van 'to hear'
*kal indoeuropees (slaan) - koladzo grieks (slaan) - - kolaphus grieks (slag) - - - *colpus latijn (vuistslag) - - - - coup frans - - - - - beaucoup fr (mooie slag, veel) - - - - - couper frans (slaan, afkappen) - - - - - - coupeur nederlands - - - - - - coupé nederlands - *kla letterverwisseling europees - - klao grieks (slaan) - - - klèros grieks (afgeslagen stuk steen, voorzien van naamteken, gebruikt als lot) - - - - klèros (lot) - - - - - klèros (het geestelijk deel, de mensen die zich met de administratie van de loten bezig hielden, de clerus) - - - - - - clerus latijn - - - - - - - clericus latijn bijvoeglijk naamwoord - - - - - - - - klerk nederlands (administrator) - - - - - - - - - de Klerk, Declerck enz. achternamen - - - - - - - clerus nederlands (geestelijkheid, de priesters)
*kamb indoeuropees (welving,koepel) - kamara grieks (gewelf) - - camera latijn (gewelf, gewelfde zoldering) - - - chambel oud frans (gewelf, kamer) - - - - chambre frans (kamer) - - - cambre picardisch, noord frans - - - - caberette verkleinwoord (kamertje) - - - - - cabaret oud frans (wijnhuis) - - - - - - cabaret middel nederlands (drinkhuis, herberg) - - - - - - cabaret frans (kleinkunst) Ontstaan in café's - - - - - - - cabaret nederlands (kleinkunst) - - - - - - cabaret douze frans + douze=twaalf (kroeg). Douze hier in de speciale betekenis van 'passe anglaise', een dobbelstenenspel. - - - - - - - Kabberdoes (kroeg) - - - camara spaans - - - - camarade (makker, collega) - - - - - kameraad - - - kamarling oud hoogduits (kamerknecht) - - - - chamberlenc oud frans - - - - - chamberlain engels - - - kamer - - gamba latijn (knie(holte), gewricht) - - - jambe frans (been)
*kap indoeuropees (hoofd) - kapalam sanskriet (hoofd) - ? kepala maleis (hoofd) Een bewijs vind ik nergens, maar de verleiding is groot. Indonesië is een islamitisch land. ? kèphalè gr (hoofd). Vercoullie betwijfelt dit. - - encephalitis nl (hersenvliesontsteking) - caput latijn (hoofd) - - capitellum verkleinwoord - - - capital frans - - - - kapitaal - - - - cattle engels (vee, het bezit) - - - capdel provencaals, oudfrans (versierde hoofdletter in manuscript) - - - - cadeau - - - - capdet oud fr gascons (hoofdje) - - - - - cadet - - - - - - kadetje - - capitulum (hoofdje, hoofdstuk) - - - kapittel - - - capitulare laat latijn (een overeenkomst sluiten) - - - - capituleren n (een verdrag sluiten) - - capitaneus laat latijn (hoofdman) - - - kapitein (hoofdman) - - capitolium (hoofdtempel van Juno) - - - capitool - - caputia laat latijn (koolkop, bijv. witte kool) - - - kappus, kappes middeleeuws duits en ned. en modern limburgs (id, ook onzin) - - capitia oud spaans (verving caput, hoofd) - - - cabeza spaans (hoofd) - - - ? chapuzar sp + poza=poel (kopje onder) - - - - - capsize engels - - - - - - kapseizen - - caporale it (hoofd van de troep) - - - corporal fr - - - - korporaal - - capo it - - - capone it (groot hoofd) - - - - el capone - - capo tasto spaans of italiaans (kop van de toets v.d. gitaar) - - - capodaster (balkje over de 6 gitaarsnaren) - - preceps l +prae=voor (met het hoofd voor, hals over kop) - - - precipiteren (neerslaan bijv. zout uit vloeistof) - cappa? laat latijn (hoofddeksel, kap, deksel) Het is niet zeker dat cappa van kap indogermaans afstamt. Larousse dict. des "racines des langues europeennes" twijfelt. - - chape fr (kap, dop, latere uitbreiding tot mantel) - - - chaperon (kapje, begeleider) - - - chapeau - - - chapelle verkleinwoord (mantel(-tje)) Sint Martinus, bisschop van Tours gaf de helft van zijn mantel aan een arme. Zijn halve mantel werd een relikwie. - - - - chapelle fr (plaats waar de mantelrest van Martinus werd bewaard, kleine kerk, kapel) - - - - - capella it(bedehuisje) Capella staat niet in het it. woordenboek, alleen in de muziekterm a capella - - - - - - alla capella + alla = naar de (op de manier van de kapel of kerk) - - - - - - - a capella - - - - - - kapel - - - - - - - kapelaan - - - cape engels en n - - - cap engels - - - - hand in cap - - - - - handicap (hindernis bij paardrace) - - - excappare laat latijn (mantel laten vallen) - - - - escapar spaans - - - - - escapada (dwaze streek) - - - - - - escapade - - - cappuchio it (capuchon) - - - - cappuccino it (kopje, koffie met 'n kopje er op) - - - - cappuccino it (monnik) - - - - - kapucijn (bedelmonnik) - - - - - kapucijner (soort erwt) - - - cappe middelnederlands (kap, muts) - - - - kap - - - - - verkapt (vermomd, onherkenbaar) - - - - kappen (een kap opzetten, haar verzorgen) - - - - - kapper - - - capote fr (grote mantel met kap) - - - - capote anglaise (engelse jas, condoom) - - - - - kapotje (condoom) - - - - faire quelqu'un capot (in het spel overwinnen, kap over de kop doen) - - - - - kaputt machen duits - - - - - - kapot (verloren in het spel) - - - - - - - kapot - - - Kappe duits - - - - Käppi zw duits (verkleinwoord) - - - - - képi fr - - - - - - kepie (vooroorlogse rechte soldatenpet) - chaf k > ch p > f (germaanse klankverschuiving) - - haf ch > h (germaanse klankverschuiving) - - - Haupt duits - - - - überhaupt - - - hoofd nl - - - - hoofdje of Häuptchen duits - - - - - hötje limburgs (kool, bijv. groene of savooie, dommerik) - - - head engels - ? Gipfel duits (top) Dit wordt betwijfeld. Vercoullie noemt *ghebhol indoeur. als stam, ook voor Kèphalè, - ? gevel nl Ook dit wordt dus betwijfeld.
*kap indo-europees (nemen) - kapto grieks (vastgrijpen, happen) - capere latijn (nemen) - - capaciteit - accipere latijn + ad (annnemen, ontvangen) - - acceptgiro - recipere latijn + re (terugnemen, opnemen) - - recipe latijn (neem). Eerste woord van een recept, neem ... Het medisch recept begint nog steeds met een R. - - - receptum latijn (genomen) Dat schreef de apotheker op het recept en betekent 'ik het het genomen', 'Ik heb het verwerkt.' - - - - recept (wat de apotheker genomen hehad (om te verwerken), het receptproduct, later kookrecept, later nog andere recepten)) - concipere latijn (in zich opnenem, zwanger worden van) - - anticonceptie - *habno germaans k>h (omvatting, plaats waar iets bewaard wordt) - - haven - - haven engels (hemel) - - hebben - *haf germaans k>h p>f - - havik - - heffen - - heften middeln (hechten) - - - hechten nederlands ft>cht
*kar indoeuropees (dierbaar) - carus latijn (dierbaar) - - caritas - *har germaans k>ch>h (dierbaar, in ongunstige betekenis) - - Hure duits (hoer) - - hoer - - - ouwehoeren + oud (praten als oude hoeren, wat niet erg gewaardeerd wordt)
*kars indoeuropees (krabben) - carrere latijn (krabben, kaarden (de wol)) - - carduus latijn (distel) - - - carduelis (distelvink, putter) - - - - cardellus verkleinwoord (distelvink, putter) -- - - - cardellino italiaans (distelvink, putter) - - - kaarde nederlands (kaardebol, distel) - *(s)kars indoeuropees (krabben) - - scharren k>ch germaans middelnederlands ((met de poten) krabben) - - - sjerren limburgs ((een pan uit-)schrapen) - - - scharrelen
... germaans (lot, aandeel, staafje om te loten) - kavel nederlands (lot, aandeel, staafje om te loten) - cavel oud eng - Kabel duits - kafl noors (stokje gebruikt om te loten)
*-ke indoeuropees verbindingspartikel (ook) - -que latijn (ook) - *-che germaans k>ch - - *-he germaans ch>h - - - nuhe germaans (nu ook, nog) - - - - noch nederl (nog) - - - - - nog nederlands in 13e eeuw spelling veranderd ter onderscheid van noch=ook niet.
*kei(m) indoeuropees (liggen) - keimai grieks (liggen) - - coma latijn en nederlands (slaap) - - koimèterion grieks (ligplaats) - - - cimetière fr (kerkhof) - - - - cemetery engels - civis latijn k>c (burger) - *hei(m) germaans k>h - - *hiw +w - - - huwen (liggen, vertrouwelijk omgaan met) - - - - huwelijk - - - - behuwdvader + vader (schoonvader) - - - *hiwa germaans (huis, huiswezen, huisgroep) - - - - Heirat duits + Rat duits, zie bij Rat duits (huisverzorging, later gehuwde staat, huwelijk sluiten) - - - - - heiraten duits (trouwen) - - *heim (ligplaats) - - - haims gotisch (dorp) - - - Heim duits - - - - ham oud frans - - - - - hameau (gehucht) - - - home engels - - - heem nederlands - - - - Ootmarsum +Odemar (plaatsnaam)
*kel indoeuropees (snijden, uithollen) ? culter latijn (mes). Deze afleiding is niet zeker volgens Larousse. - - cultellus verkleinwoord - - - couteau frans (mes). Couture, als haute couture, komt niet hiervan maar van coudre naaien. - - - ? to cut engels (snijden) Dit wordt door Blackie's betwijfeld. - *kelp indoeuropees (snijden, uithollen) - - *helf germaanse klankverschuiving k>ch>h p>f - -- half nederlands - *skel indoeuropees, uitgebreide vorm met s (snijden, uithollen) - - *skelp id - - - sculpere latijn (beitelen, beeldhouwen) - - - - sculptuur nederlands (beeldhouwwerk) - - *s(c)hel germaanse klankverschuiving k>ch>h - - - shield engels (schild) - - - - shilling engels - - - schild - - - - schelling, schellinkje +ing=achtervoegsel (muntstuk, plaats waar je de kleinste munt, het schellinkje voor moest betalen) - - - schil - - - schel (schil) - - - - schelp - - - schaal - - - (ijs-)schol - *keld indoeuropees (houwen, brekem splijten) - - *held germaanse klankverschuiving - - - hout
*kel indoeuropees (verbergen) - koleos grieks (zak) - - culleus latijn (zak) - - - flauwe kul - kalupto grieks (verbergen) - - eukalyptus ((voordat de bloem zich opent is ze) goed bedekt (door vergroeide kroonblaadjes die als een dekseltje afvallen)) - celare latijn (verbergen) - - cella latijn (cel) - - - cel nederlands. Ontleend nadat de uitspraak met s werd in het latijn. - - - cellarium latijn (opbergruimte) - - - - kelder nederlands. Ontleend voordat de uitspraak met s werd in het latijn. - *kel indoeuropees (verbergen>bedekken>kleur) - - color latijn (kleur) - - - kleur - *hel germaans k>h - - helen ((gestolen goed) verbergen) - - verhullen - - hal - - helm nederlands en duits - - *halja germaans (dodenrijk, verborgen rijk waar doden verblijven) - - - hel
*kel indoeuropees (schreeuwen) - kaleo grieks (roepen) - - ekklesia gr ((volks-)vergadering - - - ecclesia latijn (kerk) - - - - église frans (kerk) - calare latijn (roepen - - calendae (dagen door de hogepriester afgeroepen) - - - calendrier frans (kalender) - - - - kalender - - clamare latijn (roepen) - - - reclamare latijn (herhaaldelijk roepen) - - - - réclame frans - - - - - reclame - - clarus latijn (geroepen, helder van geluid) - - - clarus latijn (helder van licht) - - - - klaar - - classis latijn (appel, bijelkaar geroepen groep) - - - klas
*kel indoeuropees (duwen, aandrijven) - klonos grieks (heftige beweging) - celer latijn (snel) - - celeber latijn (druk bezocht, dicht bevolkt, gevierd) - - - celebreren nederlands ((de mis) opdragen) - *hel germaanse klankverschuiving K>ch>h - - halten duits ((vee) drijven, houden) - - - faire halte 1180 frans (stoppen, halt houden) - - - - halte 1180 frans (stilstand, het stilhouden) - - - - - halte 17e eeuw nederlands (halte) - - - halt 17e eeuw gebiedende wijs duits (blijf staan) - - - - halt nederlands - - houden - - - houden van .. (van iemand iets in leen hebben, iemands vazal zijn, om iemand geven) ? *chalidh germaanse klankverschuiving k>ch (krijgsman, vrij man, held). Alleen De Vries verbindt *chalidh met *kel. Anderen bijv. Duden zeggen dat de herkomst van Chalidh onzeker is. Vanaf de 18e eeuw wordt 'held' in de zin van 'hoofdpersoon' gebruikt, vermoedelijk n.a.v. hero engels. Hero stamt van hèros, wat etymologisch niets te maken heeft met *kel - - held
*ker indo-europees (hersenen, hoorn) - kara grieks (hoofd, kop) - - karoton laat grieks (peen) - - - carota laat latijn (peen) - - - - caroteen nederlands (gele kleurstof uit o.a. wortels) - - - - carotte frans (peen) - - - - - karote oud nederlands - - - - - - kroot nederlands (rode biet) - - - - - - Karotte duits - - cara laat latijn (gezicht) - - - chère frans (omgang, onthaal) - - - - faire bonne chère (goede sier maken) - - - - - cheer engels (stemming, onthaal, hoera) - cerebrum latijn (hersenen) - - cerebellum verkleinwoord - - - cervella italiaans meervoud (hersens) - - - - cervellata - - - - - cervelat frans - - - - - - cervelaatworst + worst (oorspronkelijk van hersenen gemaakte worst) - - cerebraal nederlands (van de hersenen) - keras grieks (hoorn) - - cornu latijn (hoorn) - - - cornutus laat latijn (gehoorn, onaangenaam, dwaas, scheldnaam voor bedrogen echtgenoot, gemijterde bisschop, homosexueel, verrader enz.) - - - - kornuit - - - cor(ne) frans (hoorn) - - - - kornet nederlands - - cervus latijn hert - *her germaanse klankverschuiving k>ch>h - - hersenen - - Gehirn duits (hersenen) - - hoorn - - Horn duits - - hert - - Hirsch duits
*ker ((zich) draaien, krommen) - koronis grieks (gekromd) - - corona latijn - - - kroon - *kerb ((zich) draaien, krommen), verlengde vorm - - curvus latijn (krom) - - - corb oud frans - - - - korf ned - - - curve - - *herb germaans k>h ((zich) draaien, krommen), verlengde vorm - - - harp nederlands (gekromde vingers, harp) - *keruk, *kerk uitgebreide vorm (kromming) - - circus latijn (cirkel) - - crux latijn (kruis) - - - kruis - - *heruk germaans k>h (kromming) - - - rug - - - - terug + te. Te betekent hier 'naar' dus in de richting van de rug. Het eq. 'zu' duits betekent ook zowel 'op de plaats' als 'naar' - - - Rücken duits - - - ridge engels (bergrug) - *sker ((zich) draaien, krommen) - - schräg duits (dwars) - - Schrank duits (gekruisd over elkaar gelegd, vlechtwerk rooster, hekwerk, kast)
*ker indoeuropees (snijden) - corium latijn - curtus latijn (kort) - - kort nederlands - - excurtiare latijn (verkorten) - - - 1300 escorcier Frans (verkorten) - - - - schorsen, schortsen, nederlands (kleren opnemen, opschorten, schorsen) - caro, carnis latijn (vleesportie, vlees) - - carnivoor +vorare=eten (vleeseter, vleesetend dier) - - (re-)incarnatie - - - skorpios grieks (schorpioen) - - - - scorpio latijn - - - - - schorpioen - - - caro latijn (vlees) - - - - reincarnatie (opnieuw in vlees worden) - *kersna latijn - - cena latijn (maaltijd) - corium latijn (afgesneden laag, huid, leer) - - scortum latijn (vel) - - - écorse frans (schors) - - - schors nederlands - - cortex latijn (huid) - - - corch arabisch - - - - corcho 13e eeuw spaans (schors van de kurkeik) - - - - - kurk 16e eeuw (schors van de kurkeik, elke 9 jaar van de boom geschild, (flessen-)stop) - *kerp verlengde vorm indoeuropees (snijden) - - carpere latijn (plukken) - - - carpire latijn versterkte vorm (plukken, kaarden=met kaarde, (plantenweerhaakjesbol, ijzer met pinnen) ontwarren van wol) - - - - carpitus, -a, -um voltooid deelwoord - - - - - carpite middeleeuws latijn en oud italiaans (dik kleed gemaakt van snippers of flarden.) - - - - - - carpite oud frans - - - - - - - karpet - - *herf germaanse klankverschuiving k>ch>h, p>f - - - *herfsten (oogsten) - - - - herfst - - - harvest engels (oogst) - *sker indoeuropees verlengde vorm (snijden) - - sarx, sarchos grieks (afgesneden stuk vlees, vlees) - - - sarcofaag +fagein=eten (vleesetend geval, doodskist, graf, sarcofaag). Een bepaalde grot in kalksteen in Assos, Troas, Klein Azie, had de eigenschap het lijk snel tot poeder te ontbinden. Vleesetende rots dus. - - - - Sarg duits - - - - zerk nederlands - - - sarcasme (vlees afrukken) - - *scher germaanse klankverschuiving k>ch - - - scheren (haar afsnijden) - - - - schort (kort gesneden kledingstuk) - - - - schaar, schare nederlands (afgesneden deel van leger, leger- afdeling, schare, groep levende wezens, massa) - - - - schaar (knipwerktuig) - - - - scherm nederlands (uitgesneden stuk leer, stuk leer op schild, schild, scherm) - - - - - beschermen - - - - - écran frans, *scherm) - - - - (ge)schore(n) middelnederlands (kust, land door de zee geschoren) - - - - - shore engels (oever) - - - short engels (kort) - - - - shirt engels (kort gesneden kledingstuk) - - - scheuren - - - skjör oudnoors (gescheurd, brokkelig, brokkelige melk, zure melk) - - - - skjörbjugr + bjugr=tumor, gerwel, oedeem (zure melk-tumor, vit.c-gebrek) Op schepen was zure melk een van de voedingsmiddelen. - - - - - scheurbuik - - *skerp verlengde vorm indoeuropees (snijden) - - - *scherp germaanse klankverschuiving k>ch - - - - scherp (snijdend) - - - - *schrap, klinker en medeklinker verwisseld (mes) - - - - - schrapen - - - - *scherf germaanse klankverschuiving p>f - - - - - scherf (afgesneden stuk) - *skeri, *skrei, *skri indoeuropees (snijden, scheiden) - - cerno latijn - - *(s)keribh - - - scribere latijn (schrijven) - - - - écrire latijn - - - - scriban germaans - - - - - schrijven
*ker, *kor, *kr indo-europees (schreeuwen) - korax grieks (raaf) - crepare latijn (kraken) - corvus latijn (raaf) - cornix latijn (hoorn) - *hraban germaans k>ch>h - - raaf nederlands - - hrabanwald + wald=heerser (voornaam) - - - Ramoud(t), Ramoldus, Ramau(l)t, Ramoult (voornaam en achternaam) - *hruoh germaans k>ch>h - - roek nederlands
*ker indoeuropees (branden) - carbo latijn (kolen) - *her germaans h>k (branden) - - haard - - harst, herst, nederland (stuk gebakken vlees of spek)
*kerd indoeuropees (hart) - kèr grieks (hart) - cardia grieks (hart) - serdce russisch (hart) - cor latijn - - concordia latijn (overeenstemming) - *hertan germaans k>h - - Herz duits - - hert, hart. Niet het dier hert, dat hoort bij *ker hersenen. - - - 16e eeuw, her(t)steken dood, (hartgestoken dood, dood als door een steek in het hart). - - - - Harstikke dood - - - - - harstikke als bijwoord als de betekenis niet meer wordt begrepen.
*kew indoeuropees (opmerken) - koweo - - kouo grieks (opmerken) - - - akouo gr (horen) - - - - akoestiek - cavere latijn (op z'n hoede zijn) - - caution engels (attentie) - *skew verlengde vorm - - *schew germaanse klankverschuiving k>ch - - - schouwen nederlands (kijken) - - - - schouwburg - - - schoon nederlands (om naar te kijken, mooi) - - - - schoonvader + vader. Leenvertaling van fr beaupère. ook schoonmoeder, schoonzoon enz. - - - *shew germaanse klankverschuiving ch>h - - - - to show engels
*khem indoeuropees (aarde) - chthoon grieks (aarde, grond) - - autochtoon + autos=zelf (in het zelfde land geboren) - chamai grieks (op de grond) - - chamaeleonem grieks (aardleeuw) - - - kameleon (soort hagedis) - humus latijn (grond, aarde) - - humilis latijn (laag) - homo latijn (kind van de aarde, mens, man) - - humanitas latijn (menselijkheid) - *chum germaanse klankverschuiving kh>ch - - guma gotisch (man) - - bruidegom + bruid
khushufa arabisch - carciofo - alcarchofa oud spaans + al=lidwoord - - articiocco italiaans - - - artichaut frans - - - - artisjok - - - Artichocke duits
*klei indoeuropees (hellen) - klino grieks (doen leunen, hellen) - - klima grieks (hemelstreek, landstreek) - - - klimaat - - klinè grieks (bed) - - - kliniek - *hli germaans k>h - - leunen - - ladder - - *hlitha germaans (helling) - - - Ledeberg + berg (Berg in oost vlaanderen)
*kleu, *klau indoeuropees (aanhaken) - clavis latijn (sleutel) - claudere latijn (sluiten) - - claudeo latijn (hinken) - - excludere (uitsluiten) - - - exclusum (buitengesloten) - - - - écluse frans (sluis) - - - - sluis - *shleu germaans, k>h - - sluiten - - sleutel
*kleu, *klew indoeuropees (horen, glorie) - klewos grieks - - kleos gr (glorie) - - klutos grieks (waarvan men hoort spreken, beroemd) - *hlut germaans k>h. Verl. dlw van *kleu (gehoord) - - geluid - - luid - - luisteren - - Ludo voornaam (beroemd) Ook lodewijk, en vele andere voornamen.
Klezmer. Uit de Hebreeuwse woorden kley en zemer, resp werktuig en musiceren ontstond het woord Klezmer, muziekwerktuig. Later werd de muzikant met klezmer aangeduid. Nu is klezmer de muzieksoort, afkomstig van rondtrekkende Joodse muzikanten, in Oost Europa.
*knudnan protogermaans (samenvoegen) - *knuttan - - Knoten duits (knoop) - - Knorpel duits (kraakbeen) - - knoest - - knuist - - kneden - - knopen - - - *verknoopt - - - - *verknoft - - - - - verknocht nederlands ft>cht - - knop
*koka, kaka germaans (eetwaar) waarschijnlijk lalwoord, babywoord. - Kuocho oud hoogduits - - Kuoche oud hoogduits - - - Kuchen duits (fijn gebak) - - - - Köchel duits verkleinwoord - - - - - köcheln duits (fijn gebakwerk (en ander) bereiden) - coeke, koke middelnederlands - - koek (fijn gebak) - cake engels (fijn gebak). Blackie's engels etymologisch woordenboek veronderstelt dat cake door de noormannen uit kaka daar gebracht zou zijn. Duden verkondigt dit op één plaats ook, op andere plaatsen meldt Duden dat cake en kaka naast elkaar ontstaan zijn. Nu weet ik het ook niet meer. Ik geloof dat niet zo. - - cake nederlands - - cakes meervoud - - - Keks duits 20e eeuw (beschuit, koekje) Foutief als enkelvoud opgevat. - - - cakewalk + to walk=lopen (dans van negers, waarbij men dingt naar een prijs, een koek) - kaka zweeds en noors (fijn gebak) - kage deens
*kom indoeropees (samen) - syn, sun, sym grieks (samen) - - symfonie + fone=geluid - cum latijn (met) - co- latijn voorvoegsel - contra latijn (tegen) - so-, s- russisch (samen, bij elkaar) - - sovjet +vjet=raad (raad). De afkomst van vjet kan ik niet vinden. - - sojoes + joes=unie (verbond, unie). De afkomst van joes kan ik niet vinden. - - spoetnik + poet=weg (mede-weg-persoon, reisgenoot) - *cham germaans k>ch - - *ga germaans - - - ghe, ge prefix - - - - ghenough oudengels - - - - - enough engels - - - - handghe oud engels - - - - - handy engels - - - - - - handyman - - - - ge voorvoegsel van het verleden deelwoord. - - *ham germaans ch>h - - - *ham + *sed=zitten indoeuropees (bij elkaar zitten).Deze stap wordt betwijfeld door Duden en van Dalen. - - - - *hansö germaans (groep, schare) - - - - - Hansa oudduits (legerschare, gevolg. Later groep kooplieden, daarna verbond van steden) - - - - - - Hansa D. Met de ondergang van de Hanze 1669 verdween het woord uit de levende taal. - - - - - - - Lufthansa. Herintroductie in de 20e eeuw. - - - - - - hanze nederlands. Met de ondergang van de Hanze verdween het woord uit de levende taal. - - - - - - - Hansaplast (merknaam voor pleister)
Korinthe (plaats op Peloponesus in Griekenland) - raisin de Corinthe frans (druif uit Corinthe) - - krent (gedroogde pitloze druif)
*koros indoeuropees (oorlog, strijd) - *korios indoeuropees (bij strijd behorend) - - koiranos grieks (legeraanvoerder) - - *harja germaans klankverschuiving k>ch>h (leger) - - - heir oud nederl - - - - heer (leger) - - - - - herberg +berg(en)='n plaats geven (rustplaats voor 't leger, herberg) - - - här noors of zweeds leger - - - - *hernest +nest=voorraad, verwant aan ons woord neren, nering - - - - - harnais oudfrans (legervoorraad) Door de noormannen daar gebracht - - - - - - harnas nederlands - - - harjatuga (legervoerder)+ tuga, verwant met tijgen ziehen=trekken - - - - hertog
*kosel indoeuropees (hazelaar) - corulus, corylus latijn (hazelaar) - *hosel, *hasel germaans k>h (hazelaar) - - hazelaar (hazelaar) - - - hazelnoot + noot
*... Germaans - kot nederlands (hok, gevangenis) - - keuter (kleine boer) - cottage engels (huisje)
*... indoeuropees - kotylos grieks (nap, kroes) - catinus latijn (tegel, schaal, schotel, bord) - - catillus verkleinwoord - - - *katila germaans (ketel) - - - - ketel 1270 - - - - - ketelaar(s) achternaam +laar=achtervoegsel (Ketelmaker of ketelhersteller)
*... germaans (zich inspannen, door inspannen verkrijgen) Uitsluitend in ned en duits taalgebied. - Krieg duits (oorlog) - crigen middelnederlands (zich inspannen, door inspannen verkrijgen, twisten) - - krijgen
krokè grieks (klanknabootsend, steentje aan het strand) - krokalè grieks (strand) - - krokod(e)ilos grieks +drilos gr worm ('kiezelworm', strandworm, hagedis, krokodil) - - - crocodilus latijn - - - - krokodil - - - - - krokodillentranen. +tranen. Etende krokodil drukt met kauwspieren zijn traanklieren leeg. Dat is geen teken van medelijden met de prooi. Er was ook een sage die vertelde dat de kr huilde als een kind om de prooi te lokken.
kruik nederlands (kruik). Westgermaans, de afkomst is onduidelijk. - Kruik (achternaam) De naam Kruik staat niet in mijn achternamen-woordenboek, maar het is zeer waarschijnlijk dat het gaat om het gebruiksvoorwerp kruik. Zo zijn er veel namen: Hamer, Pot, Schotel, Porcelein, Pul, Pullen, Schotel, en Plateel, zie ik in dat boek staan. - - Cruquius (Verlatijnste naam Kruik, naam van gemaal bij Haarlem. Het was Nicolaas Kruik 1678-1754, die de naam gaf. Die man vond ik op http://www.heemschut.nl/tijdschr /Artikelen/cruquius.htm
*kup indoeuropees (hol voorwerp) - cupa latijn (vat) - - cupula (kleine ton) - - - koepel - - kuip nederlands - - - kuiper (iemand die kuipen maakt) - - - - De Kuiper, Kuyper(s) en andere variaties (achternaam) - - cuppa laat latijn (drinkschaal) - - - coupe fr (beker) - - - - cup engels - - - kop nederlands (drinkkopje, later hoofd=hol voorwerp)
*kur indo-europees (lopen) - currere latijn - courir frans (lopen) - - koerier nederlands - - cursif frans (lopend) - - - cursief nederlands (lopend (schrift), schuinschrift) - - corridore spaans (loper) - - - corridor italiaans (gang, galerij) - - - - corridor - cursor latijn (hardloper) - - cursor engels - - - cursor nederlands ((knipperend) lopend vlekje op beeldscherm) - cursus - - cursare laat latijn (lopen zonder ophouden) - - - cursarius middel-latijn (loper) - - - - kursar servocroatisch (het romeinse rijk strekte zich tot Roemenië uit) - - - - - huszar hongaars - - - - - - Husar duits (hongaarse ruiter, later "lichte" militaire te paard in hongaarse nationale kleding) - - - - - - - huzaar - ... keltisch - - carrus gallisch (vierwielige wagen) - - - carrus laat latijn (kar) - - - - carrarius bijv. nmw - - - - carrière frans (renbaan) - - - - - carrière - - - - car engels (auto) - - - - to carry engels (dragen) - - - - carricare laat latijn (laden) - - - - - cargar spaans - - - - - - cargo sp (lading) - - - - - cargadura italiaans (lading, overdrijving) - - - - - - caricatuur - - - - - charger frans (laden) - - - - - - chargeren - - - - - - charge - - - - kar - - - - carrosa spaans - - - - carozza italiaans - - - - - carrosse fr (koets) - - - - - - karosse 1626 nederlands (rijtuig) - -- - - - - - karos - - - - - - carosserie - ... k > ch > h germaanse klankverschuiving - - (h)ros germaans (paard) - - - ros - - - Ross duits - - - - Rössl (paardje) - - - horse engels - - - hros oudnoors - - - - hvalros deens +hvarl=walvis (walrus)
kuros grieks (souvereine autoriteit, heer) - kyrie eleison grieks (heer heb medelijden) - - kyriale (gregoriaans zangboek) - - kuriakos bv nw (van de heer) - - - kuriakon verzelfstandigd bv nw ((gebouw) van de heer) - - - - kerk - - - - - kerkmis + mis=kath eredienst - - - - - - kermis - Kyrilla grieks (van de heer) voornaam. Er zijn verschillende heiligen van deze naam, o.a. een syrische. - - Kyra verkleinwoord, koosnaam. De naam werd verbreid door echtgenote van de Hohenzollernaanvoerder Louis Ferdinand, Grootvorstin Kyra van Russland.
*kw- indoeuropees (vraag, betrekkelijk vnw, infinitief) - quis? latijn (wie) - quid latijn ( ..., die). Betrekkelijk vnw, degene die. - qualis latijn (hoedanig, wat voor een, ... als (relatief)) - - qualitas latijn (hoedanigheid, kwaliteit) - - - qualité frans - - - kwaliteit 1561 nederlands (gesteldheid, aard). Uit het latijn overgenomen. Beinvloed door frans qualité. - *hw- germaans k>ch>h - - was? duits - - wat? nederlands - - wie? nederlands - - who? engels - - why? engels (waarom)
*kweit indoeuropees (wit) - *hwitaz germaans k>h - - hwit oud engels en oud saksisch - - - white engels 1312 (wit) - - wit middelnederlands - - - wit nederlands - - weit middelnederlands - - wijting (vis) - - hwiz oud duits - - hweits gothisch - - *hwaitijaz germaans (wat wit is) - - - whaete oud engels 1200 (tarwe) - - - - wheat engels (tarwe) - - - weit limburgs (tarwe) - - - Weizen duits (tarwe) - *sveit, svet slavisch k>s - - sveta oudkerkslavisch (licht) - - - svet russisch (licht)
*kwel indoeuropees (draaien, draaien om ..=zich bemoeien met) - pelomai grieks (draaien) - - polos grieks (draaipunt, uitspansel) - - - pool nederlands. Het land 'Polen' heeft hier niets mee te maken, 'vlakte' (water-)Polo ook niet, uit een Aziatische taal, 'bal' - - polidion laat grieks - - - poulie frans (katrol) - colere latijn (zich bemoeien met, cultiveren, bebouwen, bewerken) - - cultus, cultura latijn (cultuur) - - - cultuur - - agricola +agrus=akker (bebouwer van land, boer) - - colonia - - - kolonie - collum latijn hals (draaipunt, hals) - - torticollus latijn +torqueo=draaien (gedraaide hals) - *kwekwel, stamverdubbeling - - kyklos grieks (wiel, cirkel) - - - cyclus - *hwel germaanse klankverschuiving k> ch > h - - wiel (velg hoort niet hierbij, *felgan buigen, houten gebogen delen van wiel) - - hals
*kwetwer *kwetwer (indoeuropees (vier) - tettares grieks - - tetra- grieks - - - tetrapous (viervoetig) - quattuor latijn (vier) - - quadru- latijn De t wordt d door de u, die in de uitspraak dan verdwijnt. - - - quadrupes latijn (viervoetig) - - - quadrus (vierhoekig) - - - quadro latijn (vierkant maken) - - - - quadratus (vierkant (gemaakt)) - - - - - kwadraat nederlands - fidwor noord- en westgermaans - - fidur gotisch (vier) - - vier nederl en duits (vier)
*kwon indoeuropees (hond) - kuon grieks (hond) - - kynologie + logie=kennis - - cynicus latijn (uit de Cynische school) Niet helemaal volledige uitleg! Zie van Dale of Duden. - - - cynisch (honds) - canis latijn - - insulae Canariae (honds eilanden, er leefden grote honden, die al lang uitgestorven zijn) - - - kanarie (vogeltje van die eilanden) - - chien frans - - - chenil fr (kennel) - - - - kennel engels - *huon k>ch>h germaanse klankverschuiving - - hond
lampein grieks (stralen) - lampas grieks (licht, fakkel) - - lamptèr grieks (luchter, vuurbekken) - - - lanterna latijn (lamp waarvan het doorschijnend deel van hoorn was) - - - - Laterna duits (weerbestendige lamp) - - - - lantaarn - - lampas, lampadis latijn (licht, fakkel) - - - lampe frans (lamp) - - - lamp nederlands - - - - lampet 1300 met quasi-franse uitgang-et, ver- kleinwoord. (pot tot (olie-)lamp ingericht - - - - - lampetkan + kan (waterkan gelijkend op een lamp) - - - lampa italiaans - - - - lampione italiaans - - - - - lampion frans - - - - - - lampion
*lax latijn (list, verleiding) - lacere latijn (verleiden) - - lactare latijn (verleiden) - - - dilettare italiaans - - - - dilettant (amateur) - - - diliciae (verleiding) - - - dilicium (verleiding) - - - - diliciosus (heerlijk) - - - - - dilicieux frans - laqueus latijn (strop, strik) - - lacet frans (veter) - - - lace engels (veter) - - lazo spaans (glijdende knoop) - - - lasso
lazarus, Melaatse in de bijbel - belazerd (melaats) - - ben je belazerd (ben je gek geworden? betekenis verschuiving.) vergelijk, ben je bedonderd? = door de bliksem getroffen. - - - ben je belatafeld idem. Vergeljk verdomme wordt verdikkie, of verdomme wordt verdorie. ben je eenmaal aan krachtterm begonnen dan maak je het milder door de uitgang anders te fantaseren.
*leb, lob, lab indoeuropees (slaphangen) - labo latijn (wankelen) - - labiel - laf nederlands - *slab - - slac 1350 oud Saksisch (laf, kleinmoedig, slap) - - - slaken (los laten, vieren, laten gaan) - - slap nederlands - - slapen (slap zijn)
*leg grieks en latijn (verzamelen, kiezen) - lego grieks (verzamelen, kiezen) - lego grieks (zeggen) - - logos gr (woord, samenstelsel woorden) - - - horologion gr (wie de tijd zegt, uurwerk) - - - - horologium latijn (wie de tijd zegt, uurwerk) - - - - - horloge fr (uurwerk) - - - - - - horloge - - - logikè grieks (logica) - - - - logica latijn (logica) - - - - - logica - - - biologie + bios=leven - - lexis grieks (spreekwijze, het spreken, woord) - - - lexicon - - - dyslexie - - - dialect - legere legi lectum latijn (verzamelen, bijeen lezen, kiezen, lezen) - - legio latijn (keuze) - - elegant - - college - - intelligent - - legnom latijn (verzameld spul) - - - lignum latijn (verzameld hout, brandhout, hout)
*legh indoeuropees (licht=niet zwaar) - leg-vis - - levis latijn (licht) - light engels - leicht duits - licht ned (niet zwaar) - - lichten (optillen, lichter maken dus oplichten) - - - oplichten: synoniem 'tillen'
*legh indoeuropees (liggen) - lectus latijn (bed) - - lit frans - - - lits jumeaux + jumeau=tweeling - liggen - leggen - liegen duits (liggen) - Lage duits (ligging) - - Kugellager + Kugel=kogel - - - kogellager - - uslagjan germaans + 'us of oer' zie *ud - - - urlag oudduits (iets wat men opgelegd kreeg, noodlot). - - - - orloghe 1270 - - - - - oorloghe - - - - - - oorlog. Dit woord werd vroeg verward met urliugi wat 'breuk van eed of belofte' betekende. Twee bronnen die beide tot 'oorlog' leidden.
*leikw indoeuropees (laten) - leipo grieks kw>p (verlaten) - - ekleipo id - - - eclips nederlands - - enleipein grieks + en=in (er in acherlaten) - - - elleipein grieks (er in achterlatenlaten) - - - - ellips - liquere latijn (vloeibaar zijn, helder zijn) - - likeur - *leinkw nasaal tussenvoegsel - - linquere liqui lictum latijn kw=qu ((achter-)laten, verlaten) - - - deliquere latijn + de=weg (weglaten, tekort komen) - - - - delict (tekortkoming, fout, misdaad) - - - - delinquent (iemant die misdaad doet) - *leih germaans k>h - - leihen duits (lenen) - - lehen oud saksisch (stuk grond voor tijdelijk gebruik) - - - leen - - - - lenen
*leis indoeuropees (spoor, voor) - lira latijn (voor) - - delirare latijn (uit het spoor raken, raaskallen) - - - delirium - leis limburgs (voor). Meestal vaarleis - Leis middelduits (spoor) - - Geleise collectief vorm van Leis (karrespoor) - - - Gleis duits (rails) - leest nederlands (voetspoor, leest) - *laizianan germaans (leren) - - leren nederlands - - *laiziti, laisti germaans (voetspoor, een spoor nagaan, leren, kennis, verstand) - - - list nederlands (list) - leisten germaans (een spoor nalaten) - - leisten Duits (presteren)
*leit indoeuropees (gaan, leiden) - *leid germaans t>th>d - - leiten Duits - - leiden Duits - - leitha oude vorm - - - lede oud nederlands (waterloop) - - - - Leiden - - - - Breukelen lede + broek=moeras (plaatsnaam, watergang van moeras) - - - - - Brooklyn (plaatsnaam New York) - - lithon - - - liden (gaan, voorbijgaan, dulden) - - - - lijden (ergens doorheen gaan) - - - leiden causatief van liden=gaan (doen gaan)
*lento europees (flexibel, zacht) - lentus latijn (soepel, week, viskeus) - - lento (muziekterm) - *lend germaans t>d - - lind duits (mild, meegevend) - - linde nederlands (lindeboom) wegens buigzame bast of hout - - - Lintburc +burg (kasteel en plaatsnaam. Tussen Luik en Eupen) - - - - Limbourg (plaatsnaam. Tussen Luik en Eupen) - - - - - Limburg (provincies Limburg in Nederland en in België) - - - linde als voornaam of achtervoegsel aan voornaam (schild (van lindenhout), beschermer) - - lindwurm - - - lintworm - - *lind (slang, > als kenner van geheimen) - - - -linde achtervoegsel van voornamen - - - - Gerlinde
leon grieks (leeuw) - leo latijn (leeuw). Leenwoord uit het grieks - - leopardus + pardus=panter (luipaard) - - - Leopard duits 14e eeuw (luipaard). Zo heten onze tanks nu ook. - - - luipaard
*les germaans en slavisch(verstrooide dingen verzamelen) niet verwant aan gr. legein en latijn legere. - lezen (verzamelen (en later) het geschrevene lezen) - - bloemen lezen om kransen te maken - - - bloemlezing - - lesen duits - - lesan oud engels - - läsa zweeds - - lisan gotisch - - lesti lithaus (oppikken)
*leu indoeuropees (afsnijden, afschillen, afrukken) - luein grieks (losmaken) - luere latijn (boete betalen) - - absolutie - - analyse + ana=omhoog, los - looi nederlands (afgeschild, verwerkte bast, looi) - Lohe duits (id) - los - lausjan germaans (losmaken, -gaan) - - verliezen - *laub germaans (gebladerte) - - laubja frankisch (prieel) - - - loge frans - - lobia laat latijn (afdak) - - - lobby - - Laub duits (loof) - - lof, loof, lover nederlands - - - luifel + achtervoegsel -el - - leaf engels (blad)
*leubh indoeuropees (lief, graag hebben) - ljoebo russisch (lief, vriendelijk) - ljoebit russisch (liefhebben, graag hebben) - ljubav servokroatisch (liefde) - ljubiti servokroatisch (liefhebben) - ljubavnik servokroatisch (amateur) - lubits pools (houden van) - libere latijn (graag hebben) - - libido latijn (begeerte) - lubet latijn - - libet latijn (het behaagt) - - - ad libitum (naar believen) - *leub, *leuv germaanse klankverschuiving bh>b of v - - leub teutonisch - - lief - - - liefde - - liaf oudfries - - lof middelnederlands (lofprijzing, toestemming, goed- keuring, zich verbinden tot) - - - verlof (toestemming, i.h.b. om te vertrekken) - - - loven - - - - beloven (toezeggen) - - - - - belofte - - lov zweeds (lof, toestemming) - - lieb duits - - Liebe duits (liefde) - - love engels (liefde) - - - gelefan oud engels (liefhebben) - - - - lefan. verkort - - - - - believe engels (geloven) + be- - - liufs gotisch (dierbaar) - - *laubjan germaans - - - loven (lief noemen) - - *galaubjan germaans - - - geloven (voor lief houden, goed achten) - - - glauben duits - - erlauben duits - - - Erlaubnis duits - - - - Urlaub duits (verlof)
*leudh indoeuropees (stijgen, groeien) - e-leutheros - - eleutheros grieks (vrij) - leub latijn dh>b - - luber - - - liber latijn (vrij) - *leud germaanse klankverschuiving dh>d - - liut, liud (volk) - - lud (vrije mensen, krijgers) - - - lui (mensen) - - - lieden - - - Librecht voornaam + brecht=stralend - - leut duitse klankverschuiving d>t - - - Leute duits (lieden)
*leug indoeuropees (breken) - lygros grieks (treurig, verschrikkelijk) - lugeo latijn (treuren, in rouw zijn) - - lugubris latijn - - - lugubre frans (doods, akelig) - - - - luguber nederlands.
*leug indoeuropees (krommen, vouwen) - luctari latijn (zich krommen, worstelen) - - luctor et emergo + emergo=opduiken (Leuze van Zeeland, lukt 't vandaag niet dan lukt 't merge) - luxus latijn (ontwricht, verzwikken) - - luxare larijn (krommer maken, verzwikken, verstuiken, verrekken) - - - luxatie - *leuk germaans g>k - - lok nederlands (gekromde haren) - - look nederlands (gebogen bladen, uienfamilie) - - - knoflook + klieven (splijtuit) - - - bieslook + bies - - *lukan germaans (van vlechtwerk voorzien, sluiten) - - - luik nederlands (plank om iets te sluiten) - - - luiken (sluiten) - - - - beloken pasen + pasen - - - - oogluikend + oog (het oog sluitende). In de uitdrukking 'iets oogluikend toelaten.'
*leugh germaans liegen - liegen - leugen - to lie engels (liegen) - loochenen - lokken (proberen naderbij te laten komen) - lügen (liegen) ? lausinga frankisch (leugen). Dit is niet zeker. - - lauzenga prevençaals (leugen) - - - lusinga italiaans (vleierij) - - - - lusingare italiaans (zich gevleid voelen, vleien) - - - - - lusigando muziekterm (vleiend)
*leuk indoeuropees (glans) - roc-ayati sanskriet (hij verlicht) - leukos grieks (wit) - light engels - licht nederlands en duits - - leukemie en leucoplast - loh oudnederlands 850 (klein bosje, moerassige beboste streek) - - Hengelo +hangi* - loh oud hoogduits (bossage of moerassige wei) - lo oudnoors - - Oslo + os=? - ley engels ((open plaats in ) bos) - - Ashley + ash=es plaatsnaam (open plaats in essenbos) - lucus latijn (open gehakte plaats in woud, heilig domein) - lux, lucis latijn (licht) - - lucerna latijn (lamp) - - - luzerno frovencaals (glimwormpje) - - - - luzerne nederlands (rupsklaver, voeder-) De zaadjes zijn glanzend - - lucifer kerklatijn + ferre dragen (lichtbrenger) - - lucidus latijn (helder) - - - lucide (helder) - leuk-strare latijn - - lustrare - - - illustrare (verlichten, aanschouwelijk maken) - - - - illustratie - leuk(-sna) latijn - - luna (maan) - louc-men latijn - - lumen latijn (licht) - - - lumineus - lokah sanskriet (vrije ruimte) - laukas litouws (open veld) - loka oudindisch
*liet oudgermaans (lied) (oudere etymologie in onbekend) - liod oudhoogduits - - Lied duits - lied nederlands
ligare latijn (binden) - lier frans (binden) - obligare + ob=naar toe, doel latijn (vastbinden, aan banden leggen) - - obligatus volt deelw (verplicht, dank verschuldigd) - - - obligaat - - - obrigado portugees (verplicht, dankjewel) - - - - arigato Japans (dankwoord) Overgenomen bij de kolonisatie door de Portugezen - - obliger frans (verplichten, (zich) verbinden)
*lika germaans (lichaam, gestalte) - lijk - *galika + voorvoegsel *ga (hetzelfde lichaam, dezelfde gestalte, gelijk) - - gelijk - - - gelijkheid +-heid achtervoegsel dat toestand aangeeft. Het was een (nu verdwenen)zelfstandig naamwoord dat (wezen, natuur, stand, bezigheid) betekende.
littera latijn (letter) - litteratura latijn (litteratuur) - - litteratuur nederlands - - littératuur frans - - - literature engels (litteratuur) Engelse slordigheid - - - - literatuur slordig nederlands (litteratuur) - - lettre frans (letter) - - - letter - oblitterare latijn +ob voorzetsel (letters uitwissen, doen vergeten) - - oblitteren, oblitteratie nederlands (weghalen, doorstrepen)
... (lood) - potlood, Pot en lood. Lood noemden ze grafiet dat gebruikt werd om buitenkant van aardewerk een metaalglans te geven. Een mengsel van klei en grafiet. De naam lood werd daaraan gegeven als gevolg van het feit dat vroeger met lood geschreven werd, zie Bleistift. Dat mengsel van van klei en grafiet gebakken tussen twee houtjes gelijmd is potlood.
ludus latijn (spel) - preludium - illudere (spelen bij iets, spelen met iets, bespotten) - - illusio (begoocheling)
lullen lollen nl, lulle deens en noors, to lull engels, lulla zw, lollen du, lallen ouddu, lallen oudnl 14e eeuw (nabootsing van mondbeweging om in slaap te brengen, mompelen, prevelen, maar ook betekenis zuigen, dus de beweging van het kind bij drinken) - lullay by engels (kalmerend liedje voor de kinderen) - - lullaby engels (wiegeliedje) - lullen Duits (zacht zingen, in slaap sussen) - lulle i sovn Deens + i sovn=in slaap (zacht zingen, in slaap sussen) - lullen nl 1709 (kletsen) - lul nl 1567 (buisvormig voorwerp - - lul 1642 (pijpkan) - - lul 1717 (penis) - - lullepijpe 1567 (doedelzak)
*luft germaans (overdekking, uitspansel, lucht, bovenetage) - lucht nederlands ft>cht - lochting vlaams (tuin). (volgens Vercoullie etym.wdb ned taal. Anderen geven het niet.)
*... ? in duitsland of nederland (Germaanse woorden waren o.a. heil en zalig, dit kwam er later bij.) - (ghe)luc, (ghe)lucke 1200 - - geluk nederlands 1240 - - lucke, luk engels - - - luck engels - - - - lucky - lucke middel laag duits 12e eeuw - gelücke middel hoog duits 12e eeuw - - Glück duits - lycka zweeds - lykke noors - lykke deens - - lyksalig deens
*ma indoeuropees. Geluidsnabootsing van samengeklemde lippen. Babygeluid. - mamma latijn (vrouwenborst) - *matr indoeuropees (moeder). Met zelfde suffix gevormd als vader, broeder, dochter. - - mètèr grieks (moeder) - - - metropool +polis=stad - - mater latijn - - - matrix - - - materia latijn (oerstof, grondstof, onderwerp, voorwerp, hard deel van de boom) - - - - materie middeleeuwen nederlands - - - - materialis latijn bijvoeglijk naamwoord - - - - - materiael 1545 - - - - - - materiaal - - - mère frans - - - meter nederlands (doopmoeder) - - t> th germaanse klankverschuiving - - - mother engels - - - th> d germaanse klankverschuiving - - - - moeder
*maar germaans en slavisch (boze vrouwelijke geest, spook, visioen) - mare middelnederlands (spook) - - nachtmare middelnederlands + nacht (nachtmerrie) - - - nachtmerrie. Door volksetymologie in verband gebracht met paard, waar het niets mee te maken had. - Mara oudduits - - Mahr duits (boze vrouwelijke geest) - mora oostslavisch, russisch (heks)
*mad indoeuropees (vochtig zijn, vet zijn, druipen) - mastos grieks (vrouwenborst, tepel) - - mastitis +itis=ontsteking (borstontsteking) - madzos grieks (vrouwenborst, tepel) - - amazone? (vrouw met één borst). Volksetymologie, dus niet waar. Het komt van een hebreeuwse wortel ms (sterke) en betekent behorend tot een sterk vrouwenras. - *mat d>t germaanse klankverschuiving - - *mati germaans (eten, spijs) - - - *met - - - - *metseg westgermaans + sech=zwaard - - - - - mes - - - - - Messer duits (mes) - - - - metworst + worst - - - mast nederlands (varkensvoer) - - - - mesten (van varkens). Land mesten komt van - - - maz (eten) - - - - gimazzo oudhoogduits (tafelgenoot) - - - - maat nederlands (tafelgenoot) - - - - - maatschap + schap=achtervoegsel dat zelfstandig naamwoord maakt.
*... germaans - malha, malaha frankisch (bedelzak, knapzak) - - male frans (bedelzak, knapzak) - - - male engels voor 1200 (reiszak) - - - - mayll engels 1460 (reiszak) - - - - - mail 1654 (zending poststukken) - - - - - - fanmail + fan, zie bij fanaticus en bij fancy - male middelnederlands (zak) - - maal nederlands (koffer, reiszak, zending poststukken)
*mag(h), *meg(h) indoeuropees ((te)groot) - megas grieks (groot) - - megalomanie +manie=gekte (grootheidswaanzin) - magnus latijn (groot) - - major latijn (groter) - - - maximus latijn (groter) - - magis latijn (meer) - - - magister (meerdere, aanvoerder, meester) - - - - meester - *mekilaz germaans - - *michel westgermaans - - - Michelstadt plaatsnaam - - mikil micel oud saksisch oud engels - - - much engels (veel)
*mag indoeuropees (steenhouwen, vormgeven) - masso grieks (kneden) - - magma - *mak germaans g>k - - *makjo germaans (maken) - - - maken nederlands - - - *makon frankisch - - - - maçon frans (metselaar)
*magh europees (kunnen) - mekhos grieks ((hulp-)middel) - - mekhane grieks ((hulp-)middel) - - - mechaniek - machina latijn (machine) - *mag germaans gh>g (kunnen) - - mogen (kunnen, graag hebben) - - - vermogen - - macht - - mögen duits - - *megin germaans (kracht) - - - *mein fries (kracht) - - - - Meine, Menk, Menno, Miene, Minnemijn, Minke, Maintsje, Menskje, Mynje en nog veel meer Friese en Groningse voornamen.
*mal middellandsezeegebied (appel) - malon, melon grieks (appel) - - melon-pepoon +pepoon=gestoofd, rijp grieks - - - melopepo latijn - - - - melo melonis latijn - - - - - mellone italiaans - - - - - - meloen - malum latijn (appel)
... Ostjaaks, een Fins-Oegrische taal - maa Fins (aarde) - jeannammurettna samojedisch (aardvreter) - - mamont, mamot 17e eeuw russisch (Mammoet). Beide woorden vind ik niet in het Russisch woordenboek! - - - mammoet
... keltisch (doek) - mantela latijn (mantel) - mantellum latijn (mantel) - - mantulum laat latijn (mantel) - - - mantel
maqom hebreeuws (plaats, stad) - mokum rotwelsch - - mokum jiddisch - - - mokum aleph + aleph=a, de eerste letter van het alfabeth, jiddisch (stad A, t.w. Amsterdam) - - - - mokum ollef - - - - - mokum (amsterdam)
Marathon (plaats in Griekenland). In 470 voor Chr. zou een boodschapper 40 km gelopen hebben. Dat gelooft niemand meer. - marathon (hardloopwedstrijd)
maram tamils (boom) + katta tamils (gebonden) - kattamaram tamils (gebonden bomen) - - catamaran engels - - - catamaran ned 1832
mas latijn (mannelijk) - masculus latijn (mannelijk) - - mâle oudfrans (mannelijk) - - - male engels (mannelijk) - - - mâlot, mâlaud oud frans (wild, jongensachtig meisje) - - - - malloot - - macho spaans (mannelijk, stevig, potig, dwaas) - - maschio italiaans (mannelijk) - - masculinus laat latijn (van uit de man, mannelijk) - - - masculin frans (mannelijk)
matta >1000 v Chr. Punisch-Fenicisch (bed) - matta latijn (mat) - - matte middelnederlands (mat, strozak, slaapplaats) - - - matgenoot + genoot - - - - mattenoot middelnederlands (schepeling, matroos) - - - - - matenot oud frans - - - - - - matelot 13e eeuw (schepeling, matroos) - - - - - - - matroos 1585 - - - - - - - - matros russisch (matroos) Tsaar Peter de Grote was in 1698 in Zaandam en nam bouwers mee naar Rusland.
Matta(n)ia hebreeuws (geschenk van god) - Matthias (naam) - - Matthijs, Mathijs, Thijs, Tijs, Thies enz. - - Matthaios grieks - - - Mattheus latijn - - - - Matthieu frans - - - - - Tjeu, Mat, Teewis en vele andere
*me, *mo indoeuropees (verlangen) - mühen (enthousiast sein, toorn) - - Mut d (moed) - - - Diomuti + di=dienen (dienstwillig) - - - - Demut - - - - - deemoed - - moet middelnederl (hartstocht) - - - moed - - - - gemoed (collectief, het totaal van moedgesteldheden) - - - - - lankmoedig + lang (leenvertaling naar 't kerklatijn: longanimus, lange ziel hebbend)
*med indoeuropees (afstappen, meten, wegen, oordelen) - mederi latijn ((zieke) verzorgen) - - medicus - - - medicijn - modus latijn (maat, grootte, wijze, grens) - - mode - - - modern - - module frans e.a. - - modello italiaans - - - model - meditari latijn (overwegen) - - meditatie - *med-trom - - metron grieks (meetstok, maat) - - - metrum latijn - - - - mètre frans - - - - - meter nederlands duits (1000 millimeter) - - - - - metriek - - - - - metrisch - *metanan protogermaans (meten) germaans d>t - - meten - - - meter (iemand die meet) zie ook het homoniem meter, de maat, bij grieks metron - - - messen duits t>ss (meten) - *me indoeuropees (meten) - - *maela protogermaans (afgemeten (bv tijd ), tijdmaat) - - - meal 1200 engels (voedsel verstrekking) - - - Mal duits (tijdstip) - - - maal - *motinan protogermaans (zich iets toiegemeten hebben, moeten) - - moeten - *maenon protogermaans () - - maan - - - maand
*medhyo indoeuropees (midden) - medius latijn - - medidies +dies=dag - - - meridies latijn (middag) - - - - meridiaan - - medietas latijn (het midden) - - - moitié frans (helft, halve hoeve) - - - - De(l)moitié (achternaam, pachter of bewoner van 'n halve hoeve)
*mei indoeuropees (verminderen) - mikros grieks (klein) - - mikroscoop +skopein grieks=kijken
*meigh indogermaans (urineren) - mingere latijn (urineren) - - mictio (het urineren) - - - mictieklachten + klachten (branderig of belemmerd urineren) - *meig gh > g germaanse klankverschuiving (urine en ontlasting van dieren) - - miegen fries (urineren) - - mest (met ... verzadigd stro, mest) - - aihstus gotisch
*mel indoeuropees (zacht worden) - smelten nederlands
Melbourne (stad in Australië) - madame Melbe (Helen Porter, geb 19 mei 1861 in M., die optrad zangeres 'Melba'. Later had ze titel dame, Dame Melbe of Dame Nellie) - - pêche Melba (ijsgerecht met perzik, als compromis uitgevonden door Melba en een beroemde kok) - - Melbatoost + toost=beschuitje (door Melba afgedwongen uitvinding ter gelegenheid van een vermageringskuur.)
*men indoeuropees (beweging van de geest, denken) - menos grieks (geest, wilskracht, begeerte) - Mentor grieks (eigennaam die 'denker' betekent, vriend van Odysseus) - - mentor (bedachtzame leider) Bekend geworden door Fénelons boek 'Les aventures de Télémaque' - memnèmai grieks (zich herinneren) - - amnestie (het zich niet (willen) herinneren, vergeving) - mania gr (razernij) - - manisch - - kleptomanie + kleptein gr=stelen - - pyromanie = pyr gr=vuur - - - pyromaan - mainomai grieks (razen) - mathètès (leerling) - - mathèmatikè technè - - - mathematiek - automatos gr +autos=zelf (zelfbewegend) - - automaat - mens latijn (geest) - - dementie - monere latijn (doen denken, vermanen) - - monument - - monitor - - Juno moneta (tempel op het Capitool van Juno, echtgenote van Jupiter waar ze vereerd werd als Juno Moneta, Juno de waarschuwster. Dat was ook het muntgebouw) - - - moneta latijn (munt) - - - - munt - - - - monnaie fr (munt) - - - - - portemonnai frans - - - - - - portemonnee - *men-dhe indoeuropees (de zin ergens op zetten)) - - *mont-ya - - - Mousa grieks (zanggodin, muze) - - - - musa latijn (muze) - - - - - musicus latijn bijv. nw (van de Muze) - - - - - - ars musica + ars=kunst (kunst van de muzen) - - - - - - - muziek - - - - mouseion (verblijfplaats van de Muzen) - - - - - museum latijn - - - - mozaiek - - - monter - *mennisk germaans (die denkt). Dit wordt door Larousse betwijfeld. - - mensch oude spelling - - - mens - man (die denkt) - mind engels (geest) - minne (gedachte, liefde) - - beminnen - menen
*mer(e) indoeuropees (stukgewreven worden, doodgaan) - merotos - - mrotos - - - brotos grieks (sterfelijk) - - - - ambrotos + an-=on- (onsterfelijk) - - - - - Ambrosius (naam) - mori latijn (dood gaan) - mortuus (dood) - - mortarium (vijzel) - - - mortier frans (vijzel) - - - - mortier ned (stuk geschut, vijzel) - - - - morter oud nederl. 1350 - - - - - mortel (cementmengsel) - *mord germaans (dood, later geweldadige dood) - - moord nederlands (dood, later geweldadige dood) - - - stik de moord zie bij *steig
*mers germaans (beroemd) - mare nederlands - - Odemar +ode (naam) Beroemd om zijn rijkdom - - - Ootmarsum + heem (plaatsnaam)
*metan germaans - moet (samenkomst) - - gemoet (samenkomst) - - - te gemoet - - - - tegemoet - - - ontgemoeten + ont in de betekenis van richting/naderen - - - - ontmoeten - to meet engels - - meeting
*meu indoeuropees (nat, schimmel(ig), modder(ig)) - muscus latijn (vochtig, met mos begroeid, mos) - Moder 14e eeuw duits (vergaand lijk) - Modder duits - Moos duits (mos, veen) - mose nederlands (slijk, modder) - - mos 13e eeuw nederlands (moeras, later: mos) - - Mooswijk plaatsnaam N NB - - - Mosik - - Most plaatsnaam - - Musschenbroek plaatsnaam (moerassig veen). Broek=beek. - - Hof ter Mose 1330 plaatsnaam België - - - Diverse achternamen afgeleid van plaatsnamen waarin mose=slijk, modder voorkomt, zoals de bovengenoemde. van der Mosen, Vermoesen, Moesen, Mouse - *smeu indoeuropees (nat, schimmel(ig), modder(ig)) - - schmutzig duits (vuil)
mir russisch (vrede, boerengemeenschap, wereld)
*... indoeuropees (?) - mikken nederlands (oogbeweging, mikken) - mig russisch (ogenblik). De straaljager Mig heet naar twee constructeurs Mikoyan en Gurewitsj. De 'i' betekent 'en'. De betekenis van mig zal op de achtergrond meegespeeld hebben bij de naamgeving.
*mloit indoeuropees (glanzend, licht, helder) (Vercoullie ety wb) - *blith germaans ml>bl - - blide middelnederlands - - - blijde - - - - blij - - blithe engels - - blidi oudhoogduits De betekenisontwikkeling van helder naar blij zien we ook in het duitse woord heiter.
*mu indoeuropees (geluid 'mu' maken) - muttire latijn (geluid 'mu' maken) - - muttum laat latijn - - - mot frans (woord) - - - motto italiaans (grap, devies, motto, woord) - mutus latijn (stom) - *mu(s) verlngde vorm (geluid 'mu' maken, vlieg) - - musca latijn (vlieg) - - - mouche frans (vlieg) - - - - mouchepeutêtre + peutêtre=misschien (vliegmachine) - - mug - - - mosquito spaans (vlieg)
in Van Dale en in Duden vind ik : mupf, muff 15e eeuw (de mond vertrekken) - Muff, Mupf hoogduits ('Hängemaul', scheve muil, bars persoon) - - muffen mhd (de mond vertrekken) - - muffelen (mopperen) - moffelen middelnederlands (een grote mond opzetten) - - mof (Duitser) - - - mofmaff 1574 - - - Hans Mof 1581 - - - moffrica 1850 (scheldwoord voort Duitsland) Komt voor bij Bilderdijk en Kneppelhout - - - - moffrika (scheldwoord voort Duitsland) In WO-II bekend geworden.
in Duden en Barnhard engels en Larousse Frans vind ik: *??? - muffula laat latijn (pelshandschoen) - - moufle, mofle 12e eeuw frans (pelshandschoen) - - - mof nederlands (pijpvormige handwarmer) - - - - Muff 16e eeuw duits (handwarmer van pels) - - - - muff engels (hanfwarmer) - - - muffelen oud engels 1425 - - - - muffle engels (verbergen) Dit heeft dus niets te maken met ons scheldwoord mof=duitser Alleen Larousse insinueert dat muffula misschien een verlatijnsing is van het Duitse/oud nederlandse mupf, van hierboven. Dan zouden al deze woorden verwant zijn. Het scheldwoord stamt in elk geval niet rechtstreeks af van de pijpvormige handschoen.
*mus indoeuropees (muis, rat) - muis nederlands (muis) - - duimmuis + duim - Maus duits - mys, myos grieks (muis, mossel) - - myosotis +oos, otis=oor (muizen, plant waarvan de blaadjes er op lijken) - mus, muris latijn (muis, rat, marter enz.) - - musculus latijn verkleinwoord (muisje, spier, mossel) - - - mossel 1253 nederlands
musum laat latijn (snuit) - museau frans (snuit) - muser frans (de snuit in de lucht houden, zitten te dromen, niks doen) - - musette (etenszak, doedelzak) - - amuser frans (de snuit er bij, gaan kijken, begapen (zeggen wij ook wel)) - - - amuseren nederlands
*motijanan europees (tegenover elkaar komen te staan) - to meet engels (ontmoeten) - *moten (ontmoeten) - - ontmoeten + ont- voorvoegsel dat beginnen betekent
*mov indoeuropees (bewegen) - movere latijn (bewegen) - - motor - - - mobilis (beweegbaar) - - - - meubel - - movimentum (wat beweegt) - - - momentum - - - - moment - - motio (beweging) - - - commotie +com=mee - - motivum (beweeggrond) - - - motief - - - - locomotief + locus latijn=plaats - - movita laat latijn v.d. van movere - - - meute 1155 frans (beweging, opstand) - - - - mutin 14e eeuw (opstandig, rebels) - - - - - meute nederlands 1832 (beweging, opdrijven, meute) - - - - muetmaeken oudnederlands - - - - - muiten - - - - - mutemaque 1691 frans (verwarring) - - - - - - micmac frans - - - - - - - mikmak nederlands (verwarring, rommel) - - emovere latijn + e(x) (iets ergens uitdrijven, verwijderen - - - e(x)movere laat latijn (in beweging zetten) veranderde betekenis - - - - *emouvoir 1080 oud frans (in beweging zetten, en figuurlijk, iemand ontroeren) De figuurlijke betekenis die pas laat ontstaan id heeft in de 17e eeuw de eerdere betekenis geëlimineerd. Die bleef bij het woord mouvoir. - - - - - émotion frans (emotie) - - - - - - emotie nederland - - amovere latijn + a(b)=af, weg (verwijderen) - - - amotie ned (verwijderen (uit het ambt), slopen)
narang persisch - naranya arabisch - - naranja spaans - - - arancia italiaans (sinaasappel) Men dacht dat de n het lidwoord uno was. - - - - pomarancia + pomo=appel (bittere sinaasappelsoort) - - - - - pomerans (vrucht? dopje (van biljartkeu)) - - - orange frans. Dat er or- staat i.p.v. ar- waarschijnlijk doordat goud n het frans 'or' is. - - - - pomme d'orange + pomme=appel (sinaasappel) - - - - oranje - - - - - oranjeappel oud nederl (sinaasappel) - - - - orange 17e eeuw duits - - - - orange engels (oranje, sinaasappel(-boom)) - - - - - Orange (plaats in Californië) Genoemd naar de oranje bossages? Of naar sinaasappelboombosjes?
*ne, *in indoeuropees (niet) - ne latijn - negare latijn (ontkennen) - neque + verbindingspartikel *ke latijn (noch) - nohe germaans + verbindingspartikel ke>he (ook niet) - - noch nederlands (ook niet) on- in samenstellingen, bv ondragelijk.
*nept indoeuropees (neef, kleinzoon) - nepos latijn (neef) - *nef germaanse klankverschuiving p>f - - neef - *nepti indoeuropees (nicht, kleindochter) - - neptis latijn (kleindochter) - - *nefti germaanse klankverschuiving p>f - - - nift - - - - nicht f>ch vgl luft>lucht, kroft> krocht, schaft>schacht
*ner indoeurpees (laag, onder, beneden) - *nurthra comparatief, vergelijkend Protogermaans (lager, verder naar beneden) - - nort, noort middel nederlands - - - noord 790 - - - - noorden 1200 Oorspronkelijk een bijv.nw met de betekenis 'uit het noorden'. Later ook zn. - - north 725 engels (noord) - - - nord frans (noord) - - - - nord italiaans - - - - norte spaans - - nord zweeds - - nortmann germaans o.a. frankisch (mens uit het noorden, sterke man) - - - nortmannus 9e eeuw laat latijn - - - - normand 12e eeuw frans (noorman-nen) - - - - - Normandie - - - - - - normand frans (iemand uit Normandie) - - - noormannen - - - Norman engelse voornaam - - norrevegr oudnoors (noordelijke weg) De vikings voeren ofwel de oostelijke weg naar huidig rusland, of ze westelijke weg over de noordzee, of de noordelijke weg, langs de kust van wat nu Noorwegen is) - - - Noorwegen
*nes indoeuropees (er van af komen, met plezier gaan) - neomai grieks (teruggaan) - nostos grieks (terugkeer) - - nostalgie + algos=pijn, ziekte (terugkeerziekte, heimwee) - Nestor grieks (de steeds terugkerende, de oudere) In de sagen. - ganisan gothisch (gered worden, zalig worden, genezen intr) - genezen. De betekenis 'van de ziekte af komen' begon in de middeleeuwen. - *n... germaans (helpen terugkeren, redden) - - nähren duits (voeden)
*neu europees (knikken) - neuo grieks ((het hoofd) buigen, neigen, toeknikken, toestemmen) - - neuma grieks (hoofdknik als teken van bevel) - - - neuma italiaans (teken, kanttekening, verwijzing) - - - - neuma (teken waarmee gregoriaanse muziek opgetekend wordt.) - nuo latijn ((het hoofd) buigen, neigen, toeknikken, toestemmen) - - numen, numinis latijn (knik, wenk, wilsuiting, bevel, (divinum, deorum(goddelijke openbaring, orakel, goddelijke macht, majesteit, godheid) - - - numineus (met betrekking tot de godheid, goddelijk, mysterie zijnd, wat fascineert.) - - - nume italiaans
*new, *nu Indoeuropese (nu) - *newos - - neos gr (nieuw) - - - neomist (pasgewijde) - - - neon (neon, het nieuwe element) - - novus latijn - - *newjos - nun grieks (nu) - *nu(n) germaans - - nu - - now engels (nu) - *num-ce - - nunc latijn (nu) - nieuw
niger latijn (zwart - nègre frans (zwart, neger) - - neger - - negro engels (neger) - - - nigger amerikaans (neger) - - - - nikker nederlands - nigrare (zwart maken) - - denigrare + de='van boven naar beneden' (zwart maken) - - - denigreren
nikè grieks (overwinning) - pherenike +pherein=dragen (overwinning brengend) - - Pherenike grieks (vrouw van Ptolemeis III, Egyptische koningin) - - - Berenike macedonisch (Ptolemeische Egyptische koningin) - - - - Berenike (havenstad genoemd naar die koningin, nu Benghazi, Libie) - - - - - bernix, vernicium, vernica laat latijn (lak ingevoerd uit Berenike, vernis) - - - - - - vernix oud frans (doorzichtige lak) - - - - - - - vernis (doorzichtige lak)
Nîmes (plaats in zuid Frankrijk) - de Nîmes (van Nîmes). Speciaal stof uit die plaats. - - denim (soort stof)
*nokt indoeuropees (nacht) - nyx, nyktos grieks (nacht) - nox, noctis latijn (nacht) - - nocturne - *nocht germaans k>ch - - nacht - - - nachtegaal + *galo=zanger. Galo is verwant aan galm. - - - nachtmerrie + *maar germaans en slavisch = spook
*odus germaans suffix (maakt abstract) - heimuod + heim middelhd - - Heimat duits - kleinood + klein - armoede + arm
Okéanos grieks (de aarde omstromende rivier, god van de zee, de machtigste na Zeus) - oceanus latijn (god van de zee) - - oceaan
*ol, *el indoeuropees (roodglanzend) - ulmus latijn (iep) - - olm nederlands (iep) - - - Almelo +lo - alnus latijn (elzeboom) - olicha oudrussisch - elira oud hoogduits - - Elre duits (els) vgl Erlkönig - elre middelnederlands - - Elst Belgie, Oost Vlaanderen (Elst nl is iets heiligs) - - Elshout N. Br. (elzenbos) - - Elslo L. (elzenbos)
*orbh indoeuropees (zonder ouders) - orphanos grieks - Erbe duits - erf nederl (wees > erfgenaam) - erbeid oud germaans (slechte omstandigheden) - - Arbeid d (arbeid, door Lüther betekenis veranderd) - - - arbeid - - - robota pools (arbeid) - - - - robot - arm (ongelukkig>arm - - ab-armen (van nood bevrijden) - - - erbarmen - - armoede + suffix odus
*osk, *osen, *osi indoeuropees (es-boom) - oxua grieks (beuk, lansschacht van beukenhout) - *askiz germaans (es, speer uit essenhout) - - ask oud nederlands (es, speer) - - *asch germaanse klankverschuiving k>ch - - - asch oudduits (es) - - - - äsche meervoud - - - - - Esche duits (es-boom) Meervoud weer tot enkelvoud gebombardeerd. - - - Ase, Asse, Asso, Ask voornamen - - - - Hessenghem 1117 + heem=thuis (plaatsnaam in B ovl) - - - - - Essegem - - - Asch plaatsnamen in N g en B l - - - Asse plaats B br - - - - Askinia (beek die daar ontspringt) - - - - - Essene B br (plaats aan die Beek) - - - esche 13e eeuw nederlands - - - - es nedelands - - - - - es in plaatsnamen. NB. In plaatsnamen vindt men es uit eest (oven), esp (boom), es (es-boom), voornamen zoals Asse die speer of es(-senhout) betekenen - - - *ash germaanse klankverschuiving ch>h - - - - ash engels (es) - - - - - Ashley plaatsnaam + ley=(open plaats in) een bos (Plaats in essenbos)
*oss indi-europees (bot) - osteon gr - - osteopathie + pathos gr=lijden - os latijn (bot) - - ossifraga laat latijn + frangere=breken - - - osprey engels (lammergier)
*pa indoeuropees lalwoord. Het kind is al ouder en klemt de lippen vaster opeen. Eerst was het geluid *ma - *papa stamverdubbeling - - pappas grieks (vader) - - - *pabes byzantijns - - - - paus - - pappos grieks (grootvader) - - - papa latijn (vader, bisschop, paus) - - - - papa frans (vader) - - - - - papa nederlands (vader) - - - - paaps nederlands (van de paus) - - - - antipapist +anti=tegen (tegenstander van de paus) - *pater indoeuropees +suffix -er (vader, priester) - - patèr gr - - - patris gr (vaderland) - - - - patriotes (van het zelfde vaderland) - - - - - patriot - - pater latijn (vader) - - - pater nederlands - - - patronus (beschermheer) - - *father germaanse klankverschuiving p>f, t>th - - - father engels - - - *fader germaanse klankverschuiving th>d - - - - vader
*pag, pak indoeuropees (vastmaken, bevestigen, materieel en moreel) - pegnumi grieks (bevestigen) - pango latijn met nasaal infix (vastslaan, bevestigen, vaststellen) - - pactum verl. dlw. (verdrag) - - - pact nederlands (overeenkomst) - - compingere latijn (aaneenmaken) - - - compactum verl. dlw. - - - - compact - - - - patto italiaans (pact) - - - - - pat schaakterm. Dit is niet zeker. Duden zegt dat de herkomst van 'patt' niet vastgesteld is. - - propago latijn +pro=voor (verder insteken, voortplanten) - - - propageren - - pax (de handen op elkaar, vrede) - - pacare laat latijn (tot vrede brengen, betalen) - - - pagar spaans (betalen) - - - - pagador (betaler) - - - - - pagadooris oude nederlands (iemand die op lommerdbriefjes leent) - - - - - - pagadder (slecht mens, scheldwoord, klein kind) - - - - payer frans (betalen) - - - - - paaien - - pagina - - pagus latijn (verbond, verband, (achterlijke) landstreek) - - - paganus (iemand uit een (achterlijke) landstreek, heiden) - - - pagensis laat latijn (iemand uit een landstreek, landstreek) - - - - pays frans (land) - *fak germaanse klankverschuiving p>f, g>k - - *fank - - - vangen nederlands - - - vinger - - - vuist - - - vijf. In het duits fünf is het wat duidelijker.
palatinus mons latijn + mons=berg (palatijnse heuvel, een van de zeven in Rome) - palatium latijn (gebouw op Palatijnse heuvel, waar keizer Augustus leefde) - - palais fr (paleis) - - - Palas Duits - - - - Palast duits 12e eeuw (hoofdgebouw van burcht, paleis) - - - paleis - - - Palais duits (in de 17e eeuw voor de tweede maal ontleend) - - palatia laat latijn meervoud (gebouwen op palatium,vorstelijke woning) - - - palantia laat latijn - - - - Pfaltz duits (historische aanduiding voor de wisselende residentie van duitse Keizers en koningen in de middeleeuwen, woon- en ambtsgebouw van keizer of koning, waarin als vervanger een paltsgraaf kon wonen, het gebied waarover de paltsgraaf in leen had) - - - - - Kurpfaltz (gebied) - - - - - Pfälzer (bewoner van palts, palsgraaf) - -- - - - palts ned (paleis) - - palatinus latijn bijv. nw - - - paladino it - - - - paladin fr - - - - - paladijn 17e eeuw (lid van kring helden a.h. hof van Karel de Grote hofridder, adviseur, trouwe volger) - - - - - Paladin duits id - - - palatin fr 1272) - - - - palatijn middeleeuws (paltsgraaf)
panim hebreeuws (gezicht) 'n meervoudsvorm - ponim rotwelsch - - ponem jiddisch - - - ponem 1901 bargoens (gezicht) - - - - porum 1926
Pantalone Italiaans (verzonnen naam van een toneelspeler in de commedia dell'arte) - pantalone italiaans - - pantalon Frans (potsenmaker met lange broek) - - - pantalon Nederlands 1638, (potsenmaker met lange broek) - - - - pantalon Nederlands 1809-1911 in de huidige betekenis
panther grieks (panter). Zie pardos - panthera latijn (panter) - - Panther duits - - - panter nederlands 1477
*parsa oud-persisch (perzië) - persikos grieks (perzisch) - - mèlon persikon + mèlon=appel (perzische appel, perzik) - persicus latijn (perzisch) - - malum persicum latijn +malum=appel (perzische appel, perzik) - - - perseke 1201 oud nederlands - - - - perzik - - - pêche frans 12e eeuw - - - - pêche Melba +Melba zangeres, zie aldaar (Ijsgerecht met perzik)
*... klein Asië (oorsronkelijke betekenis 'gevlekt'?). Zie ook panther - pars turks (panter) - parsana hettitisch - bardh hebreeuws (gevlekt (van dieren)) - pardos grieks (panter) - - pardus latijn - - - leopardus + leo=leeuw (luipaard). Zie verder onder leo - pardalis grieks (panter)
... grieks (lijden, ondergaan) - paschein gr (lijden, ondervinden, een pathos=ziekte hebben) - pathos gr (lichaamspijn, ziekte, smart, ramp, emotie) - - telepathie +tele=ver - - osteopathie + osteon=bot
pati, passus latijn (lijden) - patiens latijn (lijdend) - - patient - - patientia latijn (volharding) - - - patience (kaartspel) - compatibel (elkaar verdragend) - passio latijn (passie) - - passie - passivus (voor aandoeningen vatbaar) - - passief - 'sub Pontio Pilato passus et sepultus est' (heeft geleden en is begraven onder P. P.) tekst uit het Credo, vast gedeelte van de mis. - - Hokus Pokus Pilatus Pas + 'hoc est enim corpus meum' (dit is mijn lichaam) tekst uit de canon missae, vast gedeelte van de mis.
pauo grieks (doen ophouden) - pausis grieks (pauze) - - pausa latijn - - - pauze nederlands - - - pause middeleeuws frans (pauze) - - - - poos(je) nederlands - - - pausare laat latijn (ophouden) - - - - poser frans (aanleggen, neerzetten). Door vormgelijkenis met positie e.d. van 't latijnse ponere werd daar ook de betekenis van overgenomen. - - - - - pose ('t leggen, zetten of ophangen, houding, aanstellerij) - - - - - reposer frans (weer zetten, leggen enz, rusten, bezinken)
*ped, *pod indoeuropees (voet) - pat, padam sanskriet - pous, podos grieks (voet) - - antipode +anti=tegen - polypous +polys=veel (veelvoet) - - poliep - podagra gr +agra=jacht of vangen (voetangel) - - podagra (jicht) - pedon (zool) - - pedalion gr (roeiriem, de riemen zijn de benen van het schip) - - - pedotes byzantijns grieks - - - - * Sicilië - - - - - pilota italiaans (stuurman) - - - - - - piloot - - velocipède +velox velocis=vlug laat latijn (fiets) - - - velo - podion gr (voetje) - - podium latijn - - - Pui de Dome (frans hoogland, centraal frankrijk) - - - podium - - - pui nederlands (bordes) - tetra peza +tetra=vier gr (tafel) - - trapezium laat latijn - - - trapeze - pes pedis latijn (voet) - - pedes (voetganger) - - pedalis (bij de voet behorend) - - - pedaal - - pedica (voetboei) - - - expedire (uit de voetboei laten) - - - - expeditie - - - impedire (in de voetboei doen, belemmeren) - - - - impedantie (weerstand) - - pedicure fr +curare latijn=verzorgen - - - pedicure - - pedo pedonis laat latijn (voetsoldaat) - - - peon oudfrans - - - - pion frans - - - - - pion - - - - - pionier (voetsoldaat, bruggebouwer) - *fotus, vuoz germaanse klankverschuiving p>f d>t - - fuss duits (voet) - - voet
pei chinees (noord) - Pei Ching + Ching=hoofdstad (hoofdstad in het Noorden) - - Peking - - - pekinees (hondje uit Peking)
*peik, *peig indoeuropees (beschilderen, tatoeëren, versieren) - poikilos grieks (bont) - *peig - - pingere latijn (schilderen) - - - pinctus latijn verl deelw. - - - - pinctare laat latijn - - - - - pintar spaans (schilderen) - - - - - - pintor spaans (schilder) - - - pictus latijn verl deelw. - - - - pictor latijn (schilder) - - - - - pittore italiaans (schilder) - - - - - - pittoresco italiaans (schilderachtig) - - - - - - - pittoresque 1708 frans (schilderachtig) - - - - - - - - pittoresk 1871 nederlands (schilderachtig) - - - - pictura latijn (schilderij) - - - - - picture engels 1420 (schilderij)
*peis, *speis indoeuropees (blazen) - spirara latijn - - spiritus latijn (geest) - - - esprit frans
*pek indoeuropees (wol, plukken) - pekein gr (verven, kammen) - pectere latijn (kammen) - - pecten (kam) - - - peigne fr (kam) - - - - peignoir (kapmantel) - peku indoeuropees (vee) - - pecus latijn (id) - - - pecunia latijn (geld) - - ... p > f germaanse klankverschuiving - - - fehod germaans (troep vee) - - - - vee - - - - fee engels (leengoed, fooi) - - - - fehu frankisch (vee, geld) - - - - - feudum laat latijn - - - - - - feodaal - - - - får zweeds en deens (schaap) - - - - - Färöer + öer=eilanden (Schapeneilanden)
*pel indoeuropees (bewegen) - pellere latijn (stoten, slaan) - - pulsus (schok) - - - pols nederlands (polsslag en polsgewricht) - - adpellere - - - appellere (aanspreken) - - - - appellare latijn (aanspreken) - - - - - appèl - - - - - appeleren - - propellere (voortstuwen) - - - propeller - - impellere (ergens tegen slaan, voortstoten) - - - impulsief - - interpellere (storen, afbreken) - - - interpellatie
*pel indo-europees (vouwen) - diplous grieks +di=twee (dubbel) - simplum latijn +sem=een maal (het enkelvoudige) - - simpel - duplus latijn + du=twee (twee maal zo veel) - - doble spaans - - - paso doble + pas=stap (two-step) - - double frans - - dubbel - *fel germaans p>f germaanse klankverschuiving - - twijfel + twee - - faldan, falzjan oud hoogduits - - - felsen nederlands (randje omvouwen) - - - faldistol +stol=stoel (vouwstoel) - - - - fauteuil - - - falten duits - - zweifel + zwei=twee (twijfel) - *plek indo-europees (vouwen) Verbrede vorm van pel. - - plectere, plexum latijn (vlechten, omstrengelen) - - - plectrum latijn (citerpen, aanslag van snaar) - - - complex + com=met - - - perplex + per=door (verward) - - - simplex + sem=een maal - - - duplex - - - triplex - - - supplex latijn ((knieën) buigend, smekend) - - - - supplicium (smeekbede, zware straf, doodstraf, zoenoffer) - - - - souple frans (nederig, wat gemakkelijk buigt) - - - - - soepel - - plicare latijn alleen in samenstellingen (vouwen) - - - complicatie - - - applicatie - - - explicatie - - - implicare latijn - - - - implicatie - - - - employer frans en nederl. - - - plisser frans (vouwen) - - - - plissé-rok + rok - - - plooien - - *flech germaans p>f en k>ch germaanse klankverschuiving (vouwen vlechten) - - - vlechten - - - flachsko (ingevlochten doos, blik, of aardenwerk, mandfles) - - - - flasco laat latijn (fles) Door de longobarden in Italië gebracht - - - - - fiasco italiaans (fles) - - - - - - far fiasco 19e eeuw italiaans +far=maken (lege fles maken, betr. theaterstuk dat niet bij publiek overkomt) - - - - - - - fiasco - - - - - flacon frans en nederlands - - - - flesch oudnederlands (ingevlochten doos, blik, of aardenwerk, mandfles) - - - - - fles - - - - - - 'op de fles zijn' of '- gaan' antwerps (in de laatste dagen zijn waarin je alleen nog maar vloeibaar eet) - - - - - - 'op flessen trekken' zuid nederlands + trekken (bier of wijn aftappen, waarbij het vat leeg raakt, vgl. failliet gaat) - - - - - - - flessentrekker 1894 - - - - Flasche duits (fles) - - - Flachs duits (waar mee gevlochten wordt, vlas) - - - vlas zie boven - - - vlijen
*pela indo-europees (plat, uitgestrekt) - pelagos grieks (open vlakte=zee) - palame grieks ((hand-)palm) - - palma latijn (palm) - - - palm - planus latijn (plat) - - plan - - plein - - piano italiaans (vlak, zacht) - - - pianoforte + forte=sterk - - - - piano - plattus vulgair latijn (plat) - - plat frans (plat) - - - plateau - - plaat - - plat - polje oudslavisch - - Polen. Polen was een grote vlakte - *fela germaans p>f - - fel - - - veld - - - vlak - - - vloer (vlakgestampte bodem) - - - flana oudijslands (rondlopen) - - - - flaner frans, normandisch woord, afkomstig van Noormannen - - - - - flaneren - - - flat frankisch en teutonisch (plat) - - - - flatter frans (met de vlakke hand strelen) - - - - - flatteren - - - - flat engels en nederlands - *plak, *plag europees (breed, (met de platte hand tegen de borst) slaan) - - plege grieks (slag) - - - plectron - - - - plectrum - - - apoplexie - - - hemiplegie - - - plage latijn (klap, wond, pest) - - - - plaag - - plangere latijn (rouwen, jammeren, treuren) - - - planctum - - - plaindre frans (klagen) - - - plaag - - *flak germaans p>f - - - flokan beklagen - - - - vloeken - - - flach duits (vlak) - - - vlak - - - - vlakte
*pen indoeuropees (moeras, vocht) - *fen germaans p>f - - Feucht duits (vocht) - - vocht - - fenne 1100 (veen, ven) - - - Sutfenne + sut=zuid (Zutphen) - - - veen - - - ven
*pen, *spen europees (hangen) - pendere, pensum latijn (hangen, wegen) - pensare latijn (wegen, tegen elkaar afwegen, betalen) - - pensio, pensionem acc latijn (afbetaling) - - - pension 13e eeuw frans (betaling, jaargeld) - - - - pension 1889 ned (kostgeld, kosthuis) - - - - pensioen 1391 ned (uitkering)
*pent indoeuropees (gaan, passeren) - pontos grieks (doorgang, wat in het waterrijke eilandenrijk zee is) - - Hellispont +hellis=? - pons, pontis latijn (doorgang=brug) - - pontifex (bruggenbouwer, priesters in het oude Rome bouwden bruggen) - - ponto latijn (transportvaartuig) - - pons asinorum (ezelsbrug) - - - pontonbrug (schip-brug) - - - pontificaal - put russisch (weg) - - putnje reis - - (s-)putnik + nik=wie het doet (reisgenoot, spoetnik) - put servokroatisch (weg - - putovanje reis - p>f germaanse klankverschuiving - - vinden nederlands (ergens op treden, vergelijk latijn in-venire=vinden)
*per indoeuropees (aan de voorkant) - ... indo-iraans - - ... iraans - - - ... oostiraans - - - - pairi avestisch (rondom) - - - - - paradaeza avestisch + daeza=muur avestisch (ommuurd gebied) - - - - - - paradijs - peri gr (om) - para grieks (bij) - - paraveredus + veredus=paard gallisch (bijpaard, wisselpaard van postdienst) - - - paard 1270 (verdrong grotendeels het germaanse ros, Rösslein, (Im weisen) Rössl), horse engels) - - - paraveredarius laat latijn (stalknecht) - - - - parafredarius - - - - - palfrenier - - parasiteo grieks + siteomai=eten (samen met of bij iemand eten). Sitos grieks ((graan-)spijs) - - - parasiet - - - parasito spaans (parasiet) - per latijn - pro grieks en latijn - prae latijn (voor in tijd) - praeter latijn (voorbij) - prin grieks (eerder) - - presbus gr (de oudste) - - - presbuterion (raad der oudsten) - - - priester - primus latijn (eerste) - - prior latijn (de eerste van twee) - p>f germaanse klankverschuiving - - voor nederlands - - - vorst (de voorst) - - - verliezen + liosan=losmaken germaans (ver is intensief) - - - verdienen (ver maakt dienen overgankelijk) - - für duits - - - Fürst - - - First (het verste, dakkant) - - for engels - - - to forget - - far engels - - ver (op grote afstand) - - - vorst (het verste,dakkant) - - früh - - vroeg - - fr... germaans (voorste, heer) - - - frauja gotisch - - - froio oudsaksisch - - - friega oudengels (heer) - - - Freyr Ijslands (god) - - - fro oudduits (god) - - - - fron duits genitivus pl (van de goden) - - - - - Fronleichnam (sacramentsdag, zoveelste zondag na Pinksteren) - - - frao oudsaksisch - - - frea oudengels (god) - - - Freya (goding) - - - vrouw (echtgenote van de heer) - - - Frau duits id
*per indoeuropees (oversteken, doorreizen, beproeven) - poros grieks (doorgang) - - Bosporus +bous=rund (koeiendoorgang). Oxfort en Koevorden betekenen hetzelfde. - - porus laat latijn (porie) - - - pore frans (porie) - - - pori latijn meervoud (poriën) - - - - porie nederlands. Het meervoud werd als enkelvoud gezien. Toen ontwikkelde men het nieuwe meervoud poriën. - - - - poreus - portus latijn (doorgang) - - porta latijn (poort, deur) - - oppurtunus + ob=naar (wie/wat naar de deur duwt, effectief) - - - opportuun nederlands - - porticus latijn (zuilengang, galerij) - - - portiek - - portalis (bij de deur horend) - - - portaal - - - portier - - portare latijn (naar de deur brengen) - - - deportatie + de=weg - - - transport + trans=over - - - export + ex=uit - - - import + in=in - - - desportare laat latijn + dis=uitelkaar (verstrooien, ontspannen) - - - - desport oud frans (ontspanning) - - - - - sport engels (sport) - - - - - deporte spaans (sport) - - - porto italiaans substantief gevormd van ww portare. (vracht, porto) - *fer germaanse klankverschuiving (oversteken, doorreizen) - - fahren duits - - - führen duits (doen gaan, leiden) - - - - Führer - - fjord noors en nederlands - - varen nederlands (zich bewegen, later alleen te water) - - - veer - - - uitvaren tegen iemand - - - welvarend - - - vaart - - - voeren (doen gaan, leiden) - - fjord noors zweeds (vaart) -*pork indoeuropees (woelen, opentrekken, varken) - - porcus latijn - - - porcella (varkentje) - - - - porcella it - - - - - porcella it (wit schelpdier, dat openstaande gelijkenis vertoont met vr geslachtsdeel van varkentje) - - - - - - porcellana (ze dachten dat dat gemaakt was van gemalen witte schelpen) - - - - - - - porcelein - - - porc fr (varken) - - - - pork engels (varkensvlees en niet varken). De adel sprak frans, de boeren spraken Germaans. Het levende heette swine, eenmaal op tafel heette het pork. - - Ferkel duits (jong varken) - - farchina germaans (pork + ino indoeuropees achtervoegsel) - - - varken - - *ferk germaans (woelen, opentrekken) - - - *ferch k>ch - - - - furcho (voor) - - - - - Furche duits (voor) - - - - - (ploeg-)voor
petros, petra grieks (rots) - petroselinon + selinon=eppe, selderie) - - petrosilicum laat latijn - - - peterselie - petra latijn (id) Heeft het oud-latijnse woord lapis=steen verdrongen. - - Petrus - - - Piet, Pierre, Peter, Petra (peter (en meter) is niet hier van maar van patrinus, pater) - - petroleum + olie - - pierre frans (steen) - - petrone laat latijn vergrootwoord - - - perrun laat latijn, oudfr (grote steen) - - - - perroen 1573 nederlands (hoge pui, stoep, voetstuk) - - - - perron frans (grote steen) - - - - - Perron duits (perron) In het duits is het woord perron in de eerste wereldoorlog door Bahnsteig vervangen. - - - - - - perron 1871 nederlands, een latere ontlening als perroen.
*pett keltisch (deze afstamming is niet zeker) - peyth cornisch - peth welsh (brokstuk(ken)) - pet oud iers - pez bretons - peta 1278 anglo-latijn - - pete 1333 oud engels - - - peat engels (turf, veen) - petgat + gat (turfgat, gat vol water waar turf uitgehaald is) - ... gallisch - - pez bretons (stuk) - - *pettia vulgair latijn - - - piece oud feans - - - - piece engels (stuk)
*peuor indoeuropees (vuur) - pyr gr (vuur) - - pyromanie + mania gr=razernij - - burrus latijn (rood-bruin) - - - bure fr (bruin) - - - - bureau - *feuor p>f germaanse klankverschuiving - - vuur - - fön gothisch (hiervan stamt föhn niet af, van latijn fovere=warm maken) - - vonk
phersu etruskisch (masker) - persona latijn ((toneel-)masker, rol die door de maskerdrager gespeeld wordt, karakter, persoon) - - persoon
*pi indoeuropees (haten) - *fijaejajan germaans P>f of v - - tegenw. deelwoord - - - vijand - - - Feind duits
*pi indoeuropees (pijnboom) - pitus grieks (pijnboom) - pinus of pitus latijn (pijnboom, spar) - - pituita latijn (slijm, verkoudheid) - - - pipita laat latijn (slijm, snot) - - - - pip middelnederlands en nederlands (ziekte met slijm, bijv snot van kippen, ook wel kippenkoorts genoemd) - - - - - pip. Krijg de pip. - - pineus latijn (van pijnbomen, van pijnbomenhout, grenen) - - - pinea latijn (denne- of andere appel) - - - - piña 1335 spaans (denneappel, annanas) - - - - pinacia, pinassa middeleeuws latijn (houten ..., in dichterlijke taal, sloep, pinas) - - - - - pinas nederlands 1596 (schip)
pier russisch (feestmaal) - pirowati (feesten, fuiven) - - pierewaaien 17e eeuw (uitgaan). Russische zeelui brachten dit mee.
*pik indoeuropees (soort vogel) - picus latijn (specht) - - piquer frans (doorboren, voedsel zoeken) - - - pikeren - - - piek (lans) - - - pique-nique + nichts, nix oudduits (picknicken) - - - - piekenieken nederlands 1824 - - - - - picknicken - - - - picknick engels - - - - - picknick nederlands 1893 We hebben picknick dus 2 keer ontleend. - ... k > ch germaanse klankverschuiving - - specht duits en nederlands + s- voorvoegsel - - pico spaans (kleine hoeveelheid, snavel, punt) - pica latijn (ekster) - - picador spaans (held die een stier mag steken) - - pica (typografische eenheid). Pagina, genoemd naar de zwart-witte ekster
pilus latijn (haar, enkel 't individuele haartje) - pila latijn (bal). Dit is niet zeker. Men denkt: 'bal van haar gemaakt." - - pilula (balletje) - pil(l)eus latijn (vilten hoed door romeinen bij feestelijke gelegenheden gedragen) - - pil(l)eus quadratus + quadratus=vierkant (vierkante hoed van academici) - - - pil(l)eus (doctor) - - - - pil (arts)
*Pisk indoeuropees (vis) - piscis latijn (vis) - - piscina visvijver - - poisson fr (vis) - p > f germaanse klankverschuiving - - fisk gothisch - - k > ch germaanse klankverschuiving - - - Fisch duits - - - visch oud nederlands - - - - vis 1930 nieuwe spelling
pis klanknabootsing. Waar gevormd? In de germaanse talen? - pissiare laat latijn (plassen) - - pisser 12e eeuw frans (plassen) - - - pissenlit 15e eeuw frans (plas in bed) - - - - pissebed 1566 nederlands (diertje, en paardenbloem. Beide golden als waterafdrijvned middel) - - - - pissebed - - - pissen 13e eeuw nederlands
Plzen (plaats in Bohemen) - Pilsen duits - - pils (licht bier)
*poim (schuim) - foim p > f Germaanse klankverschuiving - - Feim oudduits - - foam engels (schuim) - *spoim (schuim) Versterkte vorm - - spuma latijn (id) - - sputum latijn (wat men opgeeft, speeksel)
*prei, *prai indoeuropees (houden van, beschermen, plezier hebben in) - *frei *frijon germaanse klankverschuiving p>f (liefhebben) - - vrij - - vrijen (houden van, ten huwelijk zoeken) - - vriend tegenwoordig deelwoord van frijon - - Frija (geliefde, echtgenote, godin echtgenote van Wodan). Werd gelijkgesteld met Venus, vandaar dat frans vendredi overeenkomt met vrijdag. - - - vrijdag
psyche grieks (levensadem, levenskracht, ziel, geest) - psychose 19e eeuw (ziekte van de geest) - psychiater +iatros=arts
*pu indoeuropees (zuiverheid) - purus latijn (zuiver) - - purine nederlans +uricum (2 van de basen van DNA, adenine en guanine, zijn op een Purinering gebouwd.) - - pureren nederlands - purgare latijn + agere (reinigen) - putus latijn (zuiver) - - putare latijn (schoonmaken, in het reine brengen, rekenen, denken, menen) - - - amputare latijn + ambo=in tweeën (afsnijden) - - - computare + com=samen (bijelkaar denken, rekenen) - - - - conto italiaans (rekening) - - - - compter frans (rekenen) - - - - - to count engels (rekenen) - - - - - - account (rekening) - - - - - - - accountant - - - - - comptoir (rekentafel) - - - - - - kantoor - - - - computer - - - deputare (afvaardigen) - - - disputare + dis=van twee kanten (van twee kanten denken, disputeren) - - - - disputeren - - - reputare + re=twee keer (herdenken) - - - - reputatie - p>f Germaanse klankverschuiving - ? vasten nederlands. Dit beweert een etymoloog Seebold. Er is iets geloofwaardigs in. Vasten zou reinigen betekenen. En niets met "vast" te maken hebben. In geen enkel etymologieboek vind ik dit. Ook niet in de dikke 3 delige Indoeuropese dictionnaire in de bibliotheek.
*pup europees kindertaal (pop, borst) - puppa latijn (klein meisje, pop, borst) - - pupilla latijn verkleinwoord (poppetje (in de ogen), pupil) - - - pupil - - - - pille middelnederland (gestelijke zoon, petekind) - - - - - pillegift nederlands (doopgeschenk) (de pil=geneesmiddel komt van pilula, vkw van pila) (de pil=arts komt van pilus (haar) pilleus quadratus, vierkante vilten hoed die dokters droegen.) - - puppy engels (jonge hond) - - Puppe duits - - pop
puteus latijn (put, kuil, bron, regenbak) Etruskisch? - pozo en poza spaans (put resp. poel) - ? chapuzar sp +so=onder gl latijn sub (kopje onder) of van caput? zie kap - - - capsize engels - - - - kapseizen - put 855
*rap europees (raap) - rhapus grieks (raap) - rapum latijn (raap) - - raap - - reube, reuve (raap) Oost nederland. - - - Reuvekamp Oostnederlands, (rapenveld) - - reub (raap) limburgs - - - zoadreub +zoad=zaad (raap waar zaad op gestaan heeft, holle raap, dom hoofd)
*reg indoeuropees (in rechte lijn begewegn) - regere, rectum latijn (rechtdoorsturen, commanderen) - - rectus (recht) - - - rectificare laat latijn + facere=maken (rectificeren, rechtzetten) - rogare latijn (de hand uitsteken, vragen, eisen) - - arrogare, + ad=aan, erbij latijn, (erbij eisen) - - - arrogant - *rek g>k germaans - - rechts, 'n voltooid deelwoord - - recht, adj. en subst. - - *reken (geordend, precies) ook een volt dlw - - - rekenen - - roeke middelnederlands (opmerkzaamheid, aandacht, zorg) - - - roekeloos 1236
*reth indoeuropees (rollen) - rota latijn (wiel) - - ratore (draaien) - - - rotonde - - rotula latijn verkleinwoord (wieltje) - - - roulette - - - rotulare latijn (rollen) - - - - rollare italiaans - - - - - ruolo itailaans (rol) - - - - - - controle + contra=tegen (een tegen-rol, een tweede schrijfrol, controle) - - - - - - rol nederlands - - rotundus latijn (rond) - - - rond nederlands - *reda gallisch (kar) - - ve-redus laat latijn (paard van de post) - - - paraveredus + para gr =bij (wisselpaard, tweede paard bij de post) - - - - paard nederlands - *red germaans t>th>d - - rad nederlands - - - Ra(ai)makers nederlands + maken + s=zoon (achternaam: zoon van de rademaker, wagenbouwer)
*... germaans - roede nederlands - rodha oudnoors - - röthkarlar, röthmenn oudzweeds (roeiers, zeelui) - - - Rus, russisch. De noormannen gingen bij St. Petersburg de Neva (?) op en de Dnjepr af en stichtten in Kiev de eerste staatsvorm bij de slavische volkeren die daar woonden.
... gallisch. Vergelijk roch Bretons - roca, rocca laat latijn (rots). Heeft saxum=rots verdrongen. - - roc oudfrans - - roche fr (rots) - - - roquaiile fr (schelpwerk, grotwerk) - - - - rococo. Omdat dat in de 18e eeuw veel gebruikt werd - - rots nederlands
roll rotwelsh (geldstuk) - rollen rotwelsh - - zakkenrollen Zie bij saccus.
... misschien van *wrerb (wrijven). Zie aldaar. Ook duits reiben - to rub engels (wrijven) - - rubber (wrijver, rubber, poetser, vlakgom, set van aantal wedstrijdjes) - - - robber nederlands (spelpunten uitpoetsen na twee resp. drie manches om volgende ronde te beginnen, het behalen van twee manches bij whist of bridge of drie manches terwijl de tegenstanders er ook een hebben, later premie bij bridge voor geboden en gemaakte bod van minimaal honderd)
rukhkh, rokh arabisch (kar, bereden olifant, toren van schaakspel) - roque spaans - - roc oud frans (toren van schaakspel) - - - roquer frans - - - - rocade (dubbele zet in schaakspel) - - - - - rokade nederlands
sahat hebreeuws (slachten) - sjechten jiddisch - - gesjochten 1860 verl. dlw.
sag indoeuropees (reuk hebben van, weten) - sageomai gr - - hegeomai gr (leiden, lopen voor) - - - hegemon (leider) - - - exegese leiden naar de uitweg, bijbeluitleg - - - - hegemonie - saga latijn (waarzegster) - g > k - - saka oud Saksisch - - - sake 901 onl (voorwerp, handeling) - - - - zaak - - - zoeken
safira arabisch (hij was leeg) - sifr arabisch (leeg, nul). De arabieren namen rekenmethode uit oudindisch over. - - cifra 15e eeuw, laat latijn. Het begrip nul bestond niet in klassiek latijn en grieks. Met de invoering van het nieuwe rekensysteem van de arabieren werd de nul meegebracht uit het arabisch. De nul maakte de nieuwe rekenmethode (die we nog hebben) mogelijk. - - - cijfer nederlands (getalsteken). In het italiaans verdrong het woord cifra het bestaande 'nulla'=niets. Vroeger was 'figura' het woord voor getalsteken. - - - - ontcijferen. Dit berust op het feit dat geheimschrift destijds uit cijfers bestond.
*sal indoeuropees (zout) - s > h grieks - - hals, halos grieks (zout) - - - halogeen + gen=geboren worden (zoutmakend, n.l. broom, jodium, fluor en chloor, ze maken direct zouten met metaal) - sal latijn (zout) - - salarius latijn bijvoeglijk naamwoord - - - via salaria + via=weg ('zoutweg', linker Tiberoever waarlangs de Sabijnen hun zout haalden) - - - salarium (rantsoen zout, aan een magistraat en zijn gevolg gegeven reis- en verblijfkosten, traktement) In Africa worden nu nog gestandardiseerde hoeveelheden zout als betaalmiddel gebruikt. - - - - salaris - - sale italiaans (zout) - - - salamen laat latijn (gezouten zaken) - - - - salame italiaans (worst) - - - - - salami meervoud van salame - - salsa laat latijn (gezouten, saus) - - - salsa spaans (gezouten, saus, soort muziektype) - - - sauce frans (saus) - - - - saus - - salsicius latijn (gezouten) - - - saucisse frans - - - - saucijs - - salatus latijn (gezouten) - - - salade - - - - sla - - sal petrae laat latijn + petra=steen (zout van de steen) - - - salpeter (kaliumnitraat) - - sal germaans - - - zout - - - Salz duits
*sal grieks en latijn (springen) - slyomai grieks - - hallomai grieks s>h (springen) - - - haltères grieks (springers, springgewichten, halters) - - - - halter - - - halma grieks (sprong) - salire latijn (springen) - - salto - - insultare (bespringen) - - - insult
*sali, *salaz germaans (het uit één ruimte bestaand germaans huis) - zaal - Saal duits (ruimte) - - Geselle duits (gezel, die dezelfde zaal, woonruimte deelt) - - - gezel nederlands - - - - gezelschap + schap, zie bij '-schap', achtervoegsel - - salle frans (zaal) Uit het frankisch - - - salon vergrootwoord - - - salet verkleinwoord
*... indogermaans (zand) - zand - sand engels (zand) - - Sandwich + vicus latijn=wijk - - - John Montagu, vierde graaf van Sandwich - - - - sandwich (twee sneetjes brood met beleg) - samadh grieks - - hamathos grieks (zand) - sabulum latijn (grof zand) - - zavel
*... etruskisch - Saturnus latijn (oud-italische landbouwgod) Later met griekse god Kronos vereenzelvigd. - - Saterdach 1254. De germanen hebben geen Germaanse god in de plaats gesteld van Saturnus, i.t.t. Dinsdag, Woensdag, Donderdag en Vrijdag. - - - Zaterdag
saq hebreeuws (stof uit haar, zak) - sakkos grieks (grove stof, grof wijd kleed) (denk aan 'in zak en as zitten') - - saccus latijn (korenzak, wijnzeef, geldzak, grof haren kleed) - - - zak nederlands - - - - zakkenrollen 1841 nederlands + rollen=geld stelen. (geld uit de zak stelen) Zie rollen
sarkara oudindisch (kiezelstenen, gemalen suiker) - sakcharon grieks (suiker) - - saccharum latijn (suiker) - - - sacharine - shekar perzisch - - sukkar arabisch (suiker) - - - zucchero italiaans - - - - sucre 1175 frans - - - - - sucker 1253 - - - - - - suiker - - - - - Zucker duits
*scham germaans (beschaming) - schamde - - schande. 'Schandaal' hoort niet hierbij. - - - schenden
*... - scrinium latijn (schrijn) - - écrin frans (juwelenkistje) - - schrijn
*segh indoeuropees (vasthouden, gevecht overwinnen) - scholè grieks (inhouden,vasthouden, de pauze) - - schola latijn (vrije tijd) - - - schola laat latijn (school, studie element in de betekenis ingebracht in kloosters in de middeleeuwen) - - - - school - - - - Schule duits - - - - - sjoel, jiddisch (synagoge, die broeger tevens als schoolgebouw dienst deed.) - echein grieks ((vast-)houden, inhouden, althouden, hebben) - - - schema - - Hektor - Sieg duits - zege
*sei indoeuropees (binden, koord) - Seil duits (touw) - Saite duits (snaar) - zeen (pees) - - zenuw +achtervoegsel 'uw'. Vergelijk scheel en scheluw.
*sek indoeuropees (snijden, hakken) - securis latijn (bijl) - secare latijn (snijden) - - sector - - insect - - segment - saxum latijn (rots) Of misschien via het Germaans - sech K>ch germaanse klankverschuiving - - segisna oud saksisch - - - zeis - - saga oud hoogduits - - - zaag ned - - sahsa, sachsa (stenen mes, kort zwaard) - - - sahs-notas (zwaardgenoten, -broeders) - - - - Sachsen, Saksen (naam van een volk) - - - - - Sas, Sasse, Saeske, (voornamen) - - - - - Saskia, (meisjesnaam) - - metseg + mati germaans=spijs, gehakt vlees (spijszwaard) - - - Messer duits (mes) - - - mes nederlands
*sem indoeuropees (één, identiteit) - heis s>h grieks (een) - som-os - - homos grieks (hetzelfde) - - - homo - hemi grieks (wat slechts een kant heeft, eerste deel van samenstelling, half) - heteros grieks (de een van de twee) - - hetero - similis latijn (hetzelfde) - semper + per=voor latijn (eens voor alle keren, altijd) - simplex +plicare=vouwen latijn (eenvoudig) - some engels - same engels - *sin germaans (in een, zijnde, eeuwig, sterk) - - zondvloed + vloed - - Sintflut + Flut duits - *sam slavisch - - sam russisch (zelf) - - - samowar (theemachine) - - - samojeed (zelfverloochener) - - samo-posluga servisch (zelfbedieningszaak)
*sen indoeuropees (oud) - senere latijn (oud worden) - senex latijn (oud) - - senatus latijn (raad van ouderen) - - - senator - - - sénat frans - - - - senaat nederlands (hoogste bestuurslichaam bij de Romeinen, eerste kamer of Hogerhuis in België, USA of elders, voorm. raad van hoogleraren van een universiteit, bestuur van een studentenkorps) - - senecta, -ctus latijn (oudheid) - senilis (seniel) - senior latijn (ouder)
*seng-h indoeuropees (zingen, met verheven stem voordragen) - *song-hos (gezang) - - zang - - song engels - *songha - - omphe grieks (stem, profetie) - oudijslands syngya - singan, singen, oudgermaans, oudduits - - zingen
*seu indoeuropees (baren) - hyos grieks (zoon) - *sunus indoeuropees (zoon) - - sunus gotisch (zoon) - - zoon - - sunus litouws
shurul malayalam, een taal in India (krul) - shuruttu (sigaret) - - serutu maleis (sigaret) - - - strootje volksetymologische verandering (sigaret) Een serutu werd gemaakt door tabak in een (mais-)blad te rollen en dicht te binden met een draadje katoen. Slechte kwaliteit. Oorzaak van negatieve klank van 'strootje'.
*... ? - sikra akkadisch (bier) - sakhar hebreeuws werkw. (dronken zijn) - - sekhar hebreeuws (sterke drank) - - - sikera grieks - - - - sicera, scicera laat latijn (dronken makende drank, cider) - - - - - sidre oud frans. Onverklaarde overgang van c naar d. - - - - - - cidre. Gespecialiseerd tot gegist peren- en appelsap. Later tot appel gespec. in Normandië en Picardië. - - - - - - - cider 14e eeuw
*... semitisch - sikua grieks (augurk, komkommer) - - kukuon grieks (augurk, komkommer). Lettergrepen geassimileerd - - - cucumis latijn (augurk, komkommer) - - - - cucumerem accusativus van cucumis - - - - - cucombre oud frans (augurk, komkommer) - - - - - - concombre frans - - - - - - - komkommer nederlands - - - - - - - - komkommertijd + tijd. De tijd dat de komkommers rijp worden levert door vakanties weinig nieuws op. De journalisten moeten dan wat onbelangrijk nieuws in de krant zetten. Met het excuus dat het komkommertijd is. Vgl duits: Sauregurkenzeit= de tijd dat de augurkjes in het zuur gelegd worden.
*skul germaans (schuldig zijn, moeten) - skulan gotisch (zullen, schuldig zijn) - schuld (oorspronkelijk: de verplichting tot een prestatie. later: oorzaak, reden voor ...) - schouthete, schoutete, schoute 1137. + heten, in de zin van 'gebieden', (iemand die verplichtingen oplegt, die iemand om zijn schulden aanspreekt, ambtenaar) - - schout - - - Schouten (achternaam, justitieambtenaar als achternaam) - skild, skeld oudfries - - schelte, schilte, scholte, schoute, schulte, skelte, scheltke oudfries. + heten, in de zin van 'gebieden', (iemand die verplichtingen oplegt, ambtenaar) - - - Scheltke (voornaam) - - - - Schellekens + achtervoegsel -ens (achternaam, patroniem=voornaam van vader als achternaam) - *sul vereenvoudigd - - zullen - - sollen duits, (zullen)
*skand indoeuropees (springen) - skandalètron gr (losspringend iets, mechanisme in een dierenval) - - skandalon grieks (valstrik, aanstoot, ergernis) - - - scandalum kerklatijn - - - - scandale frans - - - - - schandaal - scandere latijn (klimmen) - - transcendent - scala latijn (trap, ladder) - - scala italiaans - - - schaal (bv. van meetinstrument)
*skap indoeuropees (met de beitel vormgeven, schaven, snijden) - *schap k > ch germaanse klankverschuiving (vorm geven met beitel) - - -schap achtervoegsel om zelfst.nw te vormen met betekenis '-gevormd, -gemaakt, -geworden' - - - boodschap + bode (het bode zijn). Zie bij bieden voor de afkomst van bode. - - - vriendschap + vriend (het vriend zijn) - - Schoppen duits ((met beitel) uitgehold, schepvat van de brouwer, vochtmaat) - - - Frühschoppen (morgendronk) - - - chope 12e eeuw fr, Vogezen (¼ à ½ liter, (bier-)glas) - - - - chopine (half pintje) - - - - - chopiner pimpelen - - - - - Chopin (Achternaam van componist) Opa kwam uit de Vogezen, wijnboer, trouwde daar met een Poolse. Men verhuisde naar Warschau. - - scieppan oud engels - - - shape engels (vorm) - - - schap nederlands (plank) - - - - schepel nederlands verkleinw. (inhoudsmaat) - - - schaffen d (scheppen, doen ontstaan, arbeiden, verschaffen) - - - - Schaffner (conducteur) - - - verschaffen nederlands - - - aanschaffen + aan - - - afschaffen + af - - - schaven nederlands - - - - beschaafd nederlands. Vergelijk politus latijn (gepolijst, beschaafd) en poli frans (glad, beleefd) - - *schaf p>f germaanse klankverschuiving (vorm geven met beitel) - - - Schaff duits (kom, bak, schap, kast)
*skei indoeuropees (scheiden, snijden) - chyati sanskriet - scire latijn (doorsnijden, beslissen, weten) - - nescio (ik weet niet) - - escient oudfr (het weten) - - - science engels (wetenschap) - - - conscientieus (gewetensvol) - skidh oudnoors (gescheiden, afgespleten stuk hout) - - ski - ski+d - - scindere latijn (scheuren) - skaidan gotisch - skip gotisch (schip) - - esquiper oudfrans (aan boord gaan uitrusten) - - - équipage fr. (uitrusting) - scina oud h. duits (scheenbeen) - - schiene duits (rail) - - scheen(-been) - *schei germaans (k>ch) - - scheiden - - - schedel - - - Enschede letterlijk in of op de scheiding - - - bescheid (scheiding, onderscheid, inzicht, bericht, geschreven stuk, acte) - - - - bescheiden ('papieren' bijvoorbeeld reisbescheiden) - - - schiten middelnederlands (schijten) - - - - schijten - - - - scheet - - - Scheibe duits (schijf) - - - schijf - - - *shei germaans (ch>h) - - - - to shed engels (afwerpen, vergieten) - *sei verkorte vorm (scheiden, gieten) - - *seip indoeuropees (uitgieten, zeef, drab) - - - sipen middelnederl (druppelen) - - - sebum latijn (kaarsvet, talg) - - - *saip germaans - - - - sap ketisch, gallisch (substantie waarmee de galliers hun haar verfden) - - - - sapo latijn (zeep) Sommigen menen dat sapo direct van *seip komt en dat zeep van het latijn sapo komt. - - - *seif germaans p>f (vlechtwerk uit o.a. paardenhaar om b.v. graan te reinigen) - - - - zeef - - - - ziften (zeven) - - - - - muggeziften + mug. Matteus 23:24: 'Gij verblinde leidslieden, die de mug uitzift en den kameel inzweigt.' - - - - Sieb duits (zeef) - - - - sieve engels - - - zijpen - - - sipe, (goot beekje) - - - - Sijpestein + stein=kasteel - - - - Zijpe, pln Noord Holland - - - - de Zijp bij Arnhem (moerassig land) - - - - Zypendaal + dal, Arnhem - - - - Zijpenberg bij Arnhem - - - - ziep limburgs, (goot, beekje) - - - - Sieppe beekje bij Groesbeek (dit wordt niet in het woordenboek genoemd, maar waarschijnlijk is de etymologie gelijk aan de vele andere beek- en plaatsnamen. Mogelijk weet een lokale heemkundeclub bewijzen toe te voegen) - - - seib indoeropees (bijvorm van seip) - - - - sebum latijn (talg) - - - - saipo germaans - - - - - zeep - - - - - seifa oud hoogduits - - - - - - seife d (zeep) - - - - sap keltisch - - - - - sapo, saponis latijn (zeep, mengsel van kaarsvet en as waarmee Galliërs hun haren ritueel rood maakten voor de strijd.) - - - - - - savon fr (zeep) - - - seve middelnederlands (zeef) - - - - zeef - - - - - zeven - - - - - - ziften - - - Sieb duits (zeef) - - seik indoeuropees (stromen, druppelen) - - - sichan europees (langzaam neerdalen, druppelen) - - - - sigen sigen middelnederlands (zijgen, druppelen) - - - - - zijgen - - - - siare latijn (pissen) - - - - sikmas oudgrieks - - - - - ikmas, ikmados grieks (vocht) - - - sihan - - - - zeken middeln - - - - - zeiken - - - - - seichen duits - - - - sequana gallisch en latijn - - - - - Seine Parijs - - chizo grieks (splijten) - - - schisma
skel grieks (laten drogen) - skeletos verl dlw grieks (gedroogd) - - skelet
*skep, *kep indoeuropees (met de beitel vormgeven, schaven, snijden) - skèpto grieks (zich stutten, steunen) - - skèptron grieks (staf, stut) - schöpfen duits (scheppen) - - geschaffen dlw duits - - - schaffen duits ((ver-)schaffen) - - - - (ver)schaffen - scheppen - - *skapin frankisch, germaans (wie recht schept, rechter) - - - schepen nederlands (wie recht schept, wethouder) - - - échevin frans (schepen, wethouder) - *skabh - - scabo latijn (schaven, schuren) - - - scabies (schurft) - - schaven - *skap westgermaans ((gesneden) vat) - - skepel nederlands (maat) - *skajp (steunen) - - scipio latijn (staf)
*sker indoeuropees (snel weglopen, springen) - skairein grieks (springen, dansen) - *skerson longobardisch (schertsen) - - scherzare italiaans (schertsen) - - - scherzo - *scher germaans k>ch (springen) - - Scherz duits (scherts) - - schern middelned (zich wegscheren, weglopen) - - - (zich weg-)scheren nederlands (wegspringen) - - scherts nederlands (scherts) - - schrecken duits (opspringen, later: schrikken) - - - Heuschreck duits (wat uit het hooi springt, sprinkhaan) - - schrikken
*skeu indoeuropees (bedekken) - scutum latijn (schild) - scutra latijn (platte schotel). Niet zeker dat Scutra van *skeu komt. - - scutula, scutella - - - schotel - - - Schüssel duits - obscurus latijn (donker) - *scheu germaans k>ch - - *skum frankisch (schuim) - - - écume frans (schuim) - - schuim nederlands - - schuilen - - schuur - *keu verkorte vorm - - *heu germaans K>ch> h - - - huid - - - huis - - - house engels
*skeubh europees (werpen, duwen) - *scheuv, *scheub germaans k>ch bh>v of bh>b (werpen, duwen) - - schuiven - - - schuifelen iteratiefvorm - - - schiften - - - - schof(t) middelnederlands (iets wat men ergens voor schuift, grendel, valluik, orde, rij, vierde deel van een werkdag) - - - - - schoften 1599 verouderd, plaatselijk nog in gebruik (eten in werktijdpauze) - - - - - - schaften 1886 nederlands - - schieben duits - - - schiften, schichten 10e eeuw niederdeutsch en mitteld (orde, rij, afdeling mensen) - - - - Schicht 11e eeuw niederdeutsch en mitteld (orde, rij, afdeling mensen) - - - - - Schicht 1300 duits (in uren ingedeelde arbeidstijd, ook wel een laag gesteente/kolen) - - - - - - sjiecht nederlands, limburgs, mijnwerkerstaal(werktijd, dagschiecht en nachtschiecht bv. - - *shove germaans ch>h - - - scufan oud engels - - - - to shove engels (stoten, duwen, schuiven) - - - - - shovel engels (schop, breed gereedschap) - - - - - - shovelboard engels (sjoelbak) - - - - - - - sjoelbak - - - - - to shuffle engels iteratiefvorm (schudden)
*sleg, slag, lag indoeuropees (loslaten) - laxus latijn (los) - - laxare (losmaken, (los-)laten) - - - deixare portugees (laten) - - - - deixe por os pequeños (stil voor de kleintjes). Portugese joden - - - - - deisje jiddisch (hou stil) - - - - - - deize 1901 (stil) - - - - - - - hou je gedeisd - - - laxeer(-middel) - - - laisser frans (laten) - - - - laisser-faire - *slagw verlengde vorm - - languere latijn (moe zijn, slap zijn, kwijnen) - g>k germaanse klankverschuiving - - slink oud hoogduits, genasaliseerde vorm - - - slinks ned. (arglistig) - - - links (verlaten tegengestelde van rechts) - - - - link (gevaarlijk) - - lak germaans (slap, los) - - - laken nederlands
*smel indoeuropees (smelten) - smelten nederlands
*smithaz germaans (smeden) - smith engels - smid - sjmeet, limburg (smid) - - Sjmeed is smid, en Sjmeetszoon werd smeets. Zeeland en Holland Smit, Smits, Belgie de Smet de Smed, desmet, Decemet, S(sch)me(i)(ie)(ei)d(dt)(t)(tt)(e)(s)(z)(dz) Wil jij even zelf uitrekenen hoeveel combinaties van bovenstaande samenvatting gemaakt kunnen worden? Twente Smedink, Smeenk, Friesland Smeding(h)
*sne, *sneu, *ne, *neu indoeuropees ((draad) samendraaien, spinnen, knopen) - *sneo - - neo grieks, spinnen - - - neuron grieks (koord) - - - - neurologie + logie - - - - nerf frans (zenuw) - - - - - nerveus - *snervus - - nervus latijn (pees, spier) - Sehne duits (pees) - *(s)ner germaans (knopen) - - Narbe duits (litteken) - - snoer - - naaien - - - naald (gereedschap om te naaien) - - - naad - *ned indoeuropees (knopen) - - nodus latijn (knoop) - - net (geknoopt vangstgereedschap) - - Netz duits (net) - - *nestel - - - nesteln duits (knopen) - - - nestel nederlands (veter, siersnoer) - *nazza germaans (waar doek van gemaakt werd, netel) - - netel - - Nessel duits (netel)
*sol indoeuropees (geheel, intact) - holos grieks s>h (geheel) - - kat holèn tèn gèn grieks (over de hele wereld) - - - katholiek - - holisme - solidus latijn (massief) - - solderen - *sal indoeuropees (geheel, intact) - - salvus latijn (behouden) - - - saluut - - *al germaans s vervalt - - - al - - - - alles - - - all engels
spargao grieks (zwellen van levenssappen, dartel zijn) - asparagos grieks (jonge loot, asperge) - - asparagus latijn (asperge) - - - asparge oud frans - - - - asperge - - - - - aspergiebonen (bonen die op dezelfde wijze als asperge klaargemaakt worden) - - - - - - sperziebonen - - - Spargel duits (asperge) - - - asparagus engels - - - - sparrow grass engels ((mussen gras), asperge) Volks- etymologische aanpassing)
*spe, (s)ple, indoeuropees (breed en plat) - spathè grieks (hout, lang en plat) - - spatha latijn - - - spatel - - - - épaulet - - - épée frans (zwaard) - spaan nederlands - - klapspaan + klap nederlands geluidsnabootsend gevormd 1400 (ratel, speciaal de ratel waarmee de melaatsen moesten lopen om anderen te waarschuwen voor besmetting) - spoon engels (lepel) - *spathe, *spade germaans t>th>d - - spade - *(s)ple, indoeuropees (breed en plat) - - platus grieks (breed en plat) - - - plateia vr - - - - platea latijn (breed, brede straat) - - - - - platea italiaans (grondvlak, parterre in theater) - - - - - *platja vulgair latijn (brede straat) - - - - - - piazza italiaans (plein) - - - platanos grieks (plataan, boom met breed blad) - - - - plataan - - - plata latijn (schotel) - - - - platella verkleinwoord - - - - - platel oudfrans - - - - - - plateau 17e eeuw
*spe indoeuropees (trekken, uitrekken) - spao grieks ((uit-)trekken) - - spasme (trekking, kramp) - spinnan gothisch- - spannen (rekkend bevestigen) - spinnen 1200 (uittrekken en rekken van vezels, speciaal naar een draaiende klos, later het spinnen van de kat, geluidsnabootsend gevormd van het spinnewiel) - - spinna (diertje dat draden kan maken). - - - spin (diertje dat draden kan maken).
*spei indoeuropees (scherp) - spica latijn (korenaar) - - spicarium laat latijn (graanopslag) - - - Speicher duits (zolder, voorraadgebouw) - - - - spijker oud nederlands (voorraadschuur) Speciaal in Spijkerkwartier Arnhem, de Dullert-spijker en de Gelderse spijker. De wijk die daar later gebouwd werd werd Spijkerkwartier genoemd. zie elders: spijker - spina latijn (doorn, ruggegraat, rug) - - spina bifida +bifidus-gespleten - - spinosus latijn (doornig) - - spinetta italiaans verkleinwoord - - - G. Spinetto (naam van de uitvinder van het spinet) - - - - spinet - spits nederlands - spit engels (braadspit) - spit nederlands (scherpe staaf, braadspit) - - spit (pijn in de rug). Men geloofde dat er een scherp voorerp in de rug zat) - spil - speihha oudhoogduits (lang spits houstuk, spaak) - - Speiche Duits - - spaak - spike engels (lange nagel) - - spikes (pinnen onder schoen) - spijker nederlands (scherpe pin) zie elders spijker - spies
*sp(h)e(i), *spi, *sphe indoeuropees (dik worden, uitdijen) - spatium latijn (ruimte, tijdsduur) - - espace frans (ruimte) - (zich) spoeden nederlands - - spoedig - *spi indoeuropees (vet, dik) - - spek - - *sping - - - sphingo grieks (spannen) - - - - sfincter nederlands (sluitspier)
*spek indoeuropees (kijken) - skeptomai gr metathesis=letterverwisseling (kijken) - - sceptisch (onderzoekend, geneigd tot twijfel) - - skopein gr (kijken) - - - telescoop + tele=ver - - - microscoop + mikros=klein - - - bioscoop + bios=leven - specere latijn (kijken) - - inspecteur - - speculari latijn ((be-)spieden) - - - speculeren - *speh k>h germaanse klankverschuiving - - *speho frankisch (spieden) - - - spione italiaans (spion) - - - - spion - - - - espion frans
*spend indoeuropees (uitgieten, plengen, offeren) - spondere latijn (een plechtige verbintenis aangaan, instaan voor, garanderen) - - sponsum verleden deelwoord - - - sponsor latijn (borg) - - - - sponsor 1696 (borg) - - - - sponsor engels (die de kosten draagt) - - - - - sponsor 1950 (die de kosten draagt) - - respondere latijn (van zijn kant beloven, in plaats van iets anders aanbieden, antwoorden) - - - respons
*... westgermaans - spreken - - welsprekend + wel=goed - spraak - sprookje - spreuk - Sprache duits - sprecan oud engels - - specan middelengels - - - te speak engels (spreken)
*srebh europees (slikken) - sorbere latijn (slurpen, in zich opnemen) - - absorbeo latijn (in zich opnemen) - - - absorber werkwoord frans (in zich opnemen) - - - absorberen. uit het Frans of rechtstreeks uit laat latijn - - - absorptum verl dlw latijn - - - - absorptio zst nw latijn (in zich opnemen) - - - - - absorption zst nw frans (in zich opnemen) - - - - - - absorptie
*sreu indoeuropees (vloeien, glijden) - srewo - - rheo grieks s>h (vloeien, stromen) - - - rheuma grieks (afvloeiing) - - - - rheumatismus latijn ((ziekte door) in het lichaam rondstromende stoffen) - - rhytmos grieks (het vloeien) - - - ritme - *straumaz germaans - - stroom
*sta indoeuropees (rechtop zijn) - stasis grieks (het staan) - stadion grieks - - stadium latijn - stare latijn (staan) - - status (het staan) - - - état frans (staat) - - statio - - - station - - obstare latijn (staan tegenover) - - - obstetrix ((vrouw) die tegen de vrouw in het kraambed staat, vroedvouw) - - stabilis latijn (stevig) - - - stabiel - - stabulum latijn (standplaats, vooral voor dieren, stal) - - - stabula latijn, meervoud voor vrouwelijk aangezien - - - - stal - - - - étable frans (stal) - - - statuere latijn ((rechtop) zetten) - - - - prostituere latijn (voor-, ten toon, stellen, te koop aanbieden) - - - - - prostituer frans (prostitueren, te grabbel gooien, onteren) - - - - - - prostituee - staan nederlands - - verstaan + voorvoegsel ver- (begrijpen, verstaan). Betekenisontwikkeling is niet duidelijk. Misschien 'blijven staan om iets in je op te nemen.' Wat later werd: 'begrip van iets hebben.' - - - verstand - stoel nederlands (gestel, stoel) - stede (waar je staat, waar je bent, plaats, ook als tijd) - - stad - - stedes middelnederlands (steeds). Stede als tijd met achtervoegsel: es - - - steeds - stol frankisch - - faldistol frankisch, oud frans (vouwstoel) - - - fauteuil - *studen (vastzetten, stutten) - - Stützen duits. Intensiefvorm van studen. - - stütten. Intensiefvorm van studen. - - - stut
*stai indoeuropees (dichtmaken, dichtstoppen, verdikken, stollen) - stear grieks (gestold vet, talk) - - stearine - *staina - - steen (het harde) - - - ....-steen ....-stein. B.v. Bolkestein +Bolke of Bole, voornaam. Of Sijpestein, kasteel aan de Sijpe, langzaam stromend watertje. Zet er maar wat voor en je hebt een kasteel of landgoed. In de middeleeuwen werden belangrijke huizen, burchten, boerenhoeven of landgoederen in steen gebouwd. Het stuk grond kreeg dan ook de naam van het blok steen. - - - - Bolkesteijn (achternaam). Op hun beurt werden mensen naar het landgoed genoemd. - - - stins fries (burcht) - - Stein duits - - - Kufstein (plaats in Oostenrijk) Hier is steen niet het gebouw maar de rots.- *stip indoeuropees (compact, stijf) - *stip indoeuropees (compact, stijf) - - stipare latijn (dicht opeen pakken, stoppen) - - - obstipatie - - stoppel - - *stif germaanse klankverschuiving p>f (compact, stijf) - - - stijf - - - stiften middelnederlands en duits (vestigen) - - - - stift - - - - - stichten nederlands ft>cht (vestigen) - - - - - stichting
*steg indoeuropees (bedekken) - *teg verkorte vorm, indoeuropees (bedekken) - - tegere latijn (bedekken) - - - protegere latijn (beschermen) - - - - protectie - - - tegula latijn (tegel) - - - - tegel - - *dek germaans d>t en g>k - - - dek - - - dak - - - deken - - - dekken - - - - deksel
*steig indoeuropees (steken, treffen) - stidzo grieks (steken, brandmerken) - - stigma - stigare latijn - - instigare latijn (ophitsen) - - - instigatie - - stinguere met nasaal infix - - - instinguere (aanzetten, ophitsen) - - - - instinctus (aansporing) - - - - - instinct - stilus latijn (schrijfstift, schrijfoefening, stijl) - - stijl - - style engels - - - styleren - - stimulus latijn + uitgang mulus (prikkel) - - - stimuleren - - estilo spaans - - stilo italiaans - - - stiletto (steekmes) - *steik g>k germaanse klankverschuiving - - steken (treffen, steken) - - - estiquer, estiquier frans (met paaltjes markeren) - - - - estiquette - - - - - etiket - - - - - étiquette frans ((hof-)gewoonten) - - - - - - etiquette (omgangsvormen) - - - steke de moord 16e eeuw + moord zie aldaar (moge de moord u treffen, de moord is onderwerp van de zin) - - - - stik de moord. De moord is verbasterd tot lijdend voorwerp, en steken is verbasterd tot stikken. - - steek - - stikken, intensivum van steken (gaatjes steken, naaien, blijven steken, niet verder kunnen, stikken=doodgaan) - - - stekel - - sticka zweeds (het afgestokene, spaan, splinter) - - - stickor zw meerv - - - - tändstickor +tända=aansteken (aansteekspanen, lucifers) - *(s)teig indogermaans - - *theig t> th germaanse klankverschuiving) - - - thistle engels - - - th > d germaanse klankverschuiving - - - - distel
stelloo grieks (doen staan, opstellen, uitrusten, uitrusten voor de reis, wegzenden) - apostello +apo=weg (zenden) - - apostolos gr - - - apostel - epistello grieks + epi=op, bij, naar (zenden naar, toevertrouwen) - - epistolè (bericht, boodschap) - - - epistel
*ster, stre, steru, streu indoeuropees (uitspreiden strooien) - stornumi grieks - - stroma dlw (wat gespreid wordt, stro, deken enz) - sternere latijn (uitspreiden strooien) - - stratus verl dlw (Uitgespreid, neergelegd) - - - (via) strata latijn, (geplaveide weg) - - - - straat - - - - strada italiaans (straat) - *streu indoeuropees (uitspreiden strooien) - - strooien - - stro - - struere latijn (In rijen of lagen leggen, op elkaar leggen, op of aan elkaar voegen) - - - structus verl dlw - - - - structuur - - - - constructie
*ster indoeuropees (ster) - a-ster - - astron grieks (ster) - - - astrum latijn - - - - aster - - - - desastre oud frans (slecht gesternte) - - - - - désastreus - ster-la - - stella latijn (ster) - - - étoile frans - - Stella Maris (sterre der Zee, bijnaam voor Maria) - - - Stella spaans (meisjesnaam, om uit eerbeid de naam van Maria te vermijden heet het kind Stella.) - ster nederlands (ster)
*steu indoeuropees (duwen, slaan) - stug - *... germaans (afgestoten deel) - - Stück duits - - stuc(ke) 13e eeuw nederlands (deel) - - - stuk nederlands (deel) - - stukki longobardisch (brokstuk, fragment) - - - stucco italiaans - - - - stuccatore italiaans - - - - - stukadoor - - - - stuc 1604 (pleisterkalk) - - - - estucco 1569 spaans - - - - stuc 1534 frans - - stok - - - stocvisch 1366 - - - - stokvis + vis (vis die aan stok gedroogd is) - - - - stoccafisio italiaans (stokvis) - *steud indoeuropees verlengde vorm (duwen, slaan, stoten) - - studeo latijn (ernstig streven) - - - studentus t dlw - - - - étudiant frans (student) - - - - student - - - studium latijn (ernstig streven) - - - - étude frans (etude) - - *steut germaanse klankverschuiving d>t - - - stoten - - - - stotteren iteratiefvorm (herhaaldelijk stoten) - - - stossen duits - - - stief- nederlands en duits (afgestoten, beroofd, verweesd, latere betekenis: door hertrouwen in de familie) - - - step- engels (idem) - - - styv- zweeds idem - staf oudnoors (stok) - - stafkarl oudnoors + karl=kerel (man met stok, zwerver) - - - stackare zweeds - - - - stakker - *teu indoeuropees verkorte vorm (duwen, slaan) - - tundere latijn - - - contusie - - tukos grieks (beitel, bijl) - - *teud indoeuropees verlengde vorm (duwen, slaan) - - - tundere latijn met tussengevoegde n (slaan) - - - - contusio cerebri + cerebrum=hersenen (hersenschudding) - - - tudicula latijn (olijvenmolen) - - - - tudiculare latijn (verbrijzelen, mengen, in onmin brengen) - - - - - touiller frans (schudden om te mengen) - - - - - - ratatouille frans (gerecht van een mengsel). Kruising tussen tatouiller en ratouiller die beiden versterkte vormen zijn van Touiller
stoma grieks (opening, mond) - stomachus latijn (slokdarm, maag) - - estomago spaans (maag) - - - estomago aventurero + aventura=avontuur (avontuurlijke maag, tafelschuimer, klaploper)
*... germaans ((ver-)stoppen) - *stopfon frankisch ((ver-)stoppen) - - étoffer frans (verrijken, steviger worden of maken) - - - étoffe frans (stof, bekwaamheid) - - - - stof - stoppen nederlands
... germaans (verwarring, onrust) - storm nederlands - - storm (uithangbord of huisnaam of andere aanduiding) - - - Storm(s) (achternaam) - to stir engels (roeren) - storen
su indoeuropees (varken) - sukarah sanskriet - sus gr - - hus gr - - - huaina gr (varkensachtig, hyena) - - - - hyena - sus latijn (varken) - suino (su + ino indoeuropees achtervoegsel (behorend bij)) - - zwijn
swe indoeuropees (buigen, draaien, zwaaien) - zwaaien, zwiepen, zweep nederlands
*swe indoeuropees (eigen aan een persoon, toegepast op alle personen) - se latijn (zich) - hem, hun, - zich - ihn duits - Sie duits - sich duits - *swe indoeuropees (eigen aan een groep) - - swethos grieks (gezamenlijk karakter, gewoonte, gebruik, zede) - - - èthos grieks (karakter, gewoonte, gebruik, zede, verblijfplaats) - - - - èthikos, èthikè bvnw. grieks (verbandhoudend met karakter, persoonlijkheid verbandhoudend) - - - - - ethica laatlatijn, d.w.z. de middeleeuwse patertjes en consorten (zedenleer) - - - - - - ethica 1667 nederlands - - - - - - - ethiek 1824 nederlands - - - - ethnos grieks (groep, sexe, klasse, volk, menigte) - - - - - ethnè meervoud grieks (volkeren, speciaal in de zin van andersdenkenden, heidenen) - - - - - - heiden. Door de germanen werd ethnè volksetymologisch aan 'heide' (onbebouwd land) verbonden: die lui van buiten. Anderen denken dat heiden rechtstreeks zonder vooraf- gaand grieks ethnè van heide komt. Die dorpsbewoners van achteraf. Op de zelfde manier als paganus latijn, (heiden) in het latijn van pagus (dorp) kwam. - - - - ethizo grieks (gewennen) - - se- latijn (scheidingsprefix) - - - segregare + grex=kudde (afscheiden) - - suescere, suetum latijn (gewennen) - - - consuescere, suetum latijn (gewennen) - - - - kostuum - - sidus germaans (zede, gewoonte) - - - sido oudnederlands - - - - sede oudnederlands - - - - - zede nederlands - - - situs germaans d>t - - - - Sitte duits (zede, fatsoen) - - *swep germaans uitgebreide vorm (eigen aard) - - - Sippe duits (blutverwantschap, familiegroep) - - - sibja gotisch - - - sibb oudengels (verwantschap, vriendschap) - - - - godsibb oud engels + god (verwantschap met god) - - - - - godsib middelengels (petekind, peetouders, intieme vriend) - - - - - - gossip engels (peetvriend(in), babbelaarster, buur, buurpraatje, roddel) - - - - - - - gossip nederlands (rodelpraat)
*sweid indoeuropees (zweet) - *swidos - - hidroos grieks s>h (zweet) - zweet - chwys welsh (zweet) - *swoid indoeuropees (zweten) - - sudor latijn (zweet)
*swek(u)r indoeuropees (van de ouders van de vrouw of man) - çvaçurah sanskriet (schoonvader) - swekuros - - hekuros grieks s>h (schoonvader) - - socer latijn (schoonvader) - *swehur germaans k>ch>h - - *swager h>g - - - swager(e) middel nederlands (schoon-) - - - - zwagerbroer (zwager) - - - - - zwager - - - Schwiegermutter duits - sesuras litouws - chwegr welsh (schoonmoeder) - chwegrwn welsh (schoonvader) - sjtsjoerin russisch
*swen indoeuropees (geluid) geluidnabootsend - suono-s - - sonus latijn klank - - - sonare latijn (klinken) - - - - sonate - - - - absonus latijn (slechtklinkend) - - - - - absurdus latijn. Contaminatie met surdus=doof - - - - - - absurd - - - - sonnet (klinkdicht) - - - - sonner frans - - - - - dissonant - - - - - resonantie - - - son frans (geluid) - - - - sound engels (geluid) - *swen germaans (geluidmakend bij vleugelslag) - - Schwan duits (zwaan) - - zwaan - - swan engels - *swer indoeuropees (geluid) - - surdus latijn (doof) - - - sordo italiaans - - - - sordino italiaans (demper op muziekinstrument) - - - - - sourdine frans (demper op muziekinstrument) - - - - - - sourdine nederlands
*swendh(i)a germaans (sterk, krachtig) - swinde, swint germaans (sterk, onstuimig, grimmig) - - geswinde middelhoogduits (snel, onstuimig) - - - geschwind duits - - - gezwind nederlands (snel) - *(ga-)sunda germaans (sterk, krachtig). Wisseling van vocalen, i weg en w wordt u - - gesund duits (gezond) - - gisund 10e 11e eeuw oud nederlands (gezond) - - - gezond nederlands - - gesund oud engels - - - sound engels (gezond)
*swer indoeuropees (bewaren, waarnemen) - sworao - - horao s>h grieks (zien) - - - horama grieks (schouwspel) - - - - panorama - - - pyloros + pylpoort (poortbewaarder) - - - - pylorus (maaguitgang(-kringspier)) - *(s)wer indoeuropees (bewaren, op iets letten, schuwen) - - vereor latijn (schuwen vrezen, ook in religieuze zin) - - - reverend engels (eerwaardig, dominee) - - waren middelnederlands intransitivum en wederkerig (waarschuwen, behoeden, waarnemen, zich kwijten van) - - waren middelnederlands transitivum (bewaren, zorgen voor, bewaken) - - - waerde middelnederlands (wacht=het bewaken, wacht=wachter, plaats waar men wacht houdt) - - - - doorwaerder(e) middel nederlands 1201-1250 +door mdln (deur) (deurwachter, portier) - - - - - deurwaarder (gerechtelijk ambtenaar) - - - bewaren middelnederl be+waren (bewaken, zorgen voor, letten op) - - - - bewaren - *ser indoeuropees (bewaren) - - servare latijn (redden) - - - observare latijn (niet loslaten (met de ogen)) - - servus latijn (troepbewaker, slaaf, knecht) - - - service
*swes indoeuropees (zuster) - *swesor - - soror latijn zuster - - zuster nederlands - - - zus - - sister engels - - sesuo litouws - - sestra russisch
*swol, *swon indoeuropees (zon) - swelios - - helios grieks (zon) - - - helium - sol latijn (zon) - *sundh oudgermaans bijwoord (naar de zon, naar het zuiden) - - suut middelnederlands (naar het zuiden, in het zuiden) - - - zuid - - - sutphania, sutfenne 1059 + veen (zuidveen, Zutphen) - - - - sutfene 1103 (Zutphen) - - - Süd duits - - sond- en sund- Duits in plaatsnamen - - - Sundgau en Sonthofen) - zon - - zondag
stepho grieks (om, op iets leggen, omkransen) - stephanoo grieks (met de krans huldigen) - stephanos gr (krans) - - stephanus laat latijn (naam) - - - Steef, Stef, Stefaan, Étienne, Istvan hongaars (namen)
ta=merkteken, pu=buitengewoon. Polinesisch, Stille oceaan, Tonga Oost van Australië - tapu bijvoeglijk naamwoord (heilig) - - taboo 1777 engels. aanvankelijk alleen bijvoeglijk naamwoord. - - - taboe 1847
*tek(s) indoeuropees (bouwen, maken) - tektainomai gr (timmeren) - tektoon gr (timmerman) - - architektoon + arch = 'de eerste' gr (bouwmeester) - - - architekt - texo, texui, textum, texere latijn (weven, samenvoegen) - - textum latijn (weefsel, weefsel van woorden) - - - tekst - - textiel - - texla - - - tela latijn (weefsel) - - - - toile frans (linnen, katoen, (schilders-)doek) - - - - - toilette frans (toilet in alle betekenissen) - - subtexlis (fijn geweven) - - - subtilis - - - - subtiel
*tel, *tol, *tla indoeuropees (dragen) - tlenai aor grieks (dragen) - etlen grieks (ik droeg) - telos grieks (verplichte bijdrage) - - telonion grieks (tolhuis) - - - telonium laat latijn (tolhuis) - - - - tol (entreebelasting)
*tel indoeuropees (plat, vlakke bodem, plank) - tellus latijn (aarde) - tal-dhla - - tabula latijn (plank) - - - tafel nederlands, in de middeleeuwen toen dit woord ingevoerd werd at men van een plank op schragen. Na het eten hing de plank weer aan de muur. - - - tafel, plank om op te schrijven. Tabel, bijvoorbeeld de tafels van vermenigvuldiging. - - - Tafel Duits, ((school-)bord) - - - tabella latijn verkleinwoord ((schrijf-)plankje) - - - - tabel
telos grieks (einde, ver, grens) - telefoon + phonè gr=geluid, stem - telegraaf + grafein=schrijven - telegram + gram, volt. dlw. van grafein - telepathie + pathos= (pijn, leed, gewaarwording) - teleskoop + skopein=kijken - televisie + visie latijn =het zien
*ten indoeuropees (geluid maken) - tonare latijn (klinken) - - extonare oud frans - - - astonish engels - - tonnerre frans (donder) - *then germaanse klankverschuiving t>th - - thunder engels (donder) - - *den germaanse klankverschuiving th>d - - - donder - - - Donar (germaanse dondergod). Werd gelijkgesteld met Juppiter tonans van de Romeinen. Vandaar dat fr jeudi, dag van Juppiter gelijk is aan onze Donderdag - - - - donresdach - - - - - donderdag - - - Thor (germaanse dondergod). Andere vorm dan Donar. - *sten versterkte vorm - - steno grieks (geluid maken) - - - Stentor (mythologische figuur met groot stemgeluid) - - stenen middelnederlands - - - steunen (klagend geluid maken, kermen)
*ten indoeuropees (spannen) - teino grieks (spannen) - - tetanus (spannen van spieren, kramp) - tendere tensi tentum latijn (houden) - - tentus latijn (gespannen) - - - tent (gespannen doek, tent) - - attendere (de geest richten op, letten op) - - - attendre frans (wachten) - - - attentie - *den germaans t>d - - dehnen duits (zich uitstrekken) - *ten indoeuropees (gespannen, dus dun) - - tenuis latijn (fijn) - - - tendre frans (teder) - - *then gemraans t>th - - - thin engels (dun) - - - *then gemraans th>d - - - - dun - *ten indoeuropees (spannen, houden) - - tenere latijn (houden) - - - tenor (houder, zanger die de melodie zingt (vroeger zongen sopraan, alt en bas niet de melodie)) - - - tenir frans (houden) - - - - tenez frans gebiedende wijs (houd (de bal)) - - - - - tennis - - - - abstineren - - - - maintenir - - - - - je maintiendrai (ik zal handhaven) - - - - lieutenant (plaatshouder) - - - - - luitenant (plaatsvervanger) - - - - continent
*teng indoeuropees - tongere oudlatijn (kennen, weten) - *theng germaans t>th (denken, gedenken, met het bijbehorende goede gevoel, dat gevoel, dank) - - thank(s) engels ('t gevoel bij het gedenken, dank, danken) - - *deng germaans th>d (denken, gedenken, met het bijbehorende goede gevoel, dat gevoel, dank) - - - dank germaans (het verstand gebruiken) - - - tanka zweeds - - - denken nederlands - - - denken duits - - - - Gedanke duits (gedachte) - - - daht oudduits, n vervalt, daarna verlenging tot dacht - - - - gedachte + ge - - - - aandacht + aan - - - dank germaans (dat gevoel, dank) - - - - tanka zweedshet verstand gebruiken) - - - - - danc middelned - - - - - - dank - - - - - tack zweeds (dank) - - - - thanks engels - - ... (de schijn hebben, vòòrkomen, een mening hebben) - - - dünken duits - - - tücka zweeds - - - duchten. Gelijke afleiding als bij daht > dacht, zie boven
*ters indoeuropees (uitdrogen) - torrere latijn (droog zijn, braden, bakken) - - tostus verldlw (geroosterd) - - - tôt frans (heet (van de naald), meteen, spoedig) - - - *tostare laat latijn - - - - tostato italiaans (geroosterd) - - - - - tosto verkort - - - - - - tosti meervoud - - - - toster oud frans (roosteren) - - - - - toast engels (geroosterd brood, gekruid geroosterd brood, drank die samen met dat gekruid geroosterd brood gedronken werd, heildronk) - - - - - - toast - *tersa - - *terra (wat drooggevallen is, (de) aarde) - *ders germaans t>d - - dorst
*teu indoeuropees (zwellen) - tumbos grieks (grafheuvel) - - tumba laat latijn (graf) - - - tombe - tumor latijn (zwelling) - - tumor - *theu germaans t>th>d - - thumb engels (de dikke, duim) - - *deu germaans t>th>d - - - duim (de dikke, duim) - - - - dommekracht + kracht - - - - - domkrat russisch (dommekracht)
*teut indoeuropees (alles) - totus latijn (alle) - Teuto, Teutonen (volk) - *dhiet germaans t>th (volk) - - Thiad oud fries (naam, volk) - - - Thiadzerckeradeel 1392, + zerck=kerk - - - - Tietjerksteradeel (Gemeente Bergum) - - - Thiad + brecht (zie aldaar) - - - - Tabe, Tjebke, Tibo, en honderd andere voornamen - - - - - Tjepkema (achternaam - - thiuda Gotisch (volk) - - - gut-thiuda Gut is misschien rivier uit het land v.d. Goten, Gotland, in Zweden - - - - Goten (germaans volk) - - - - - gothicus laat latijn (ruw, als van de Goten, gotisch). De (bouw-)stijl van Italie in de renaissance vond men ruw en werd op de ruwe germaanse Goten (die er niets mee te maken hadden) teruggebracht. - - - - - - gotico italiaans - - - - - - gotique frans bijv, naamw. (de kunststijl van de 12e tot 15e eeuw eigen, - kenmerkend) - - - - - - - gotisch 18e eeuw bijv, naamw. (de kunststijl van de 12e tot 15e eeuw eigen, - kenmerkend) Uit het frans of uit het engels ontleend - - - - - - - gotiek eind 18e eeuw. - - *diet germaans dh>d (volk) - - - Dietbald + bald (moedig in het volk, voornaam) - - - - Thibau(l)d, Thibaut - - - - Theobald. Onder invloed van Griekse namen met Theo - - - Ties, Tys, Diede en vele andere Friese namen (man van het volk) - - - Diederi(c)k + Rijk=machtig (de machtige van het volk, voornaam) - - - - Dirk - - - - Dietrich duits (naam) - - - Duits (taal van het volk) - - - Deutsch duits (duits) - - - Dutch, engels (in de 14e eeuw was het de taal tegenovergesteld aan latijn. vanaf 1600 Taal van het volk, laag germaans, later was Dutch de term voor de duitsers. Dutch Henry, de veedief van een duitser. Later: nederlands) - - - diets nederlands (taal van het volk) - - - duiden nederlands (voor het volk uitleggen, duiden) - - - - duidelijk
*tintel (aansteken). Volgens de Vries is dit een mogelijke oorspronkelijke vorm - tondel (aansteekzwam) - - tondeldoos + doos - Zunder duits (aansteekzwam) - zinnen oudduits (gloeien) - - zünden duits (aansteken) - tända zweeds (aansteken) - - tändstickor + sticka zie bij steken
*... germaans - Tüte duits (trechtervormige papieren zak) - toeten middelned. (blazen - - toeteren iteratiefvorm - - toeter (signaalhoorn) - tute middelnederlands (puntig, spits, puntzak) - - toeoet limburgs (papieren zak) - - toet - - - toetje (schattig gezichtje) - - tuit
*tre, *tri indo-europees (drie) - treis grieks - - triptiek +ptussein=vouwen - tres latijn (drie) - - triplex + plicare=vouwen latijn (drievoudig) - - trivium + via=weg (drie wegen, driesprong, het straatpubliek) - - - triviaal (op driesprong bleef men staan zwetsen) - - tri + sti=stare=staan (een derde (er bij staande), een getuige) - - - terstis latijn (getuige) - - - - testis latijn (getuige) - - - - - testari latijn (getuigen) - - - - - - testamentum - - - - - - - testament - - - - - testimonium latijn (getuigenis, bewijs) - - - - - - testimonium 1692 nederlands - - - - - testis latijn, in de volksmond (zaadbal, getuige van de mannelijkheid) - - - - - - testiculum verkleinwoord - - - - - - - testikel - - tripalium laat latijn + paal (folterinstrument, drie palen waaraan je vastgebonden werd om afgebeuld te worden.) - - - tripaliare (folteren) - - - - travailler frans (beulen, (hard) werken) - - - - - travail engels (zwoegen, barensnood) - - - - - - travel engels (een reis maken) - - Tripolis, grieks, (bergstreek in Thessalie met drie steden) - - trois frans - - trio italiaans - troje russisch (drie) - - trojka russisch verkleinwoord (driespan, rijtuig) - - - trojka nederlands (driemanschap) - *thre germaanse klankverschuiving t>th - - three engels - - *dre germaanse klankverschuiving th>d - - - drei duits - - - drie nederlands
trekken nederlands. Etymologie onbekend - flessentrekkerij (zie fles)
Trotz duits (Weerstand, onverzettelijkheid, dwarsheid), van onbekende oorsprong - trots 1562 nederl (fierheid, hoogmoed) - trotz 16e eeuw duits voorzetsel (ondanks), ontstaan uit zinnen als 'Trotz sei dass ...' - - trots 1615 nederlands (ondanks)
*... ? - epops grieks (hop) - epops latijn (hop) - upupa latijn (hop) - - huppe 12e eeuw frans (hop, en 17e eeuw: bosje veren, kuif) - - - huppé frans (gekuifd, rijk) - - - de huppe - - - - d'huppe frans (van de hop). De hop scheidt een zeer vies vocht af om belagers op afstand te houden en de eieren onaantrekkelijk te maken) - - - - - dupe frans (bedrogene, bescheten, onnozel) - - - - - - dupe nederlands
*ub indoeuropees (onder, van onder op, top) - *sub indoeuropees (onder, van onder op, top) - - hypo grieks s>h (onder) - - sub latijn (onder) - - - sub-mus latijn superlatief van sub - - - - summus latijn (hoogste, top) - - - - - somme oudfrans - - - - - - som nederlands - - *super indoeuropees (over) - - - hyper grieks s>h (over) - - - super latijn (over) - * germaans b>p - - up engels - - op - - *uf germaans p>f - - - auf duits - - - over - - - - overgrootvader + grootvader
*ud indoeuropees voorzetsel (uit) - uit - aus duits (uit) - *uds indoeuropees voorzetsel (uit) - - ur- prefix duits (uit, of zonder betekenis) - - - er- prefix voor werkwoorden duits - - oor- prefix (uit) - - - oorsprong - - - oorlog + (loog of laai)=vlam. Dus beginnende vlam. - - - urlag + lage, zie bij *legh, oudduits (iets wat men opgelegd kreeg, noodlot). - - - - orloghe 1270 - - - - - oorloghe - - - - - - oorlog. Dit woord werd vroeg verward met urliugi wat 'breuk van eed of belofte' betekende. Twee bronnen die beide tot 'oorlog' leidden.
*vorst, *forst germaans (bestemmingsbos, bos) - Forst duits (bos) - - Förster d (boswachter, beschermer) - vorst middelnederlands en nederland (bestemmingsbos, bos) - - vorster, vu(r)ster, voster, middeln en n (opzichter over bij de gemeente behorende bossen) - - - Voster, (de) Vo(e)(r)ste(r)(s) diverse achternamen. - - Voorst en veel andere plaatsnamen - - van de Vorst en aanverwante achternamen. - forestum laat latijn (bestemmingsbos) Niet iedereen gelooft dan Forestum van het germaanse komt. Het zou afstammen van fora=deur, foris=buiten enz. Dat laatste geloof ik weer niet omdat forestum niet voorkomt in Kramers noch Wolters latijn-nederlands. En het franse forêt is pas van de twaalfde eeuw. M.i. duidelijk dat dat werk is geweest van de paters. - - (van) Fore(e)s(t) achternamen - - forêt 12e eeuw frans (bos) - - - forest engels
*wadh indoeuropees, (pand, pand inlossen) - Wette duits (pand, inzet, prijs) - - Wettbewerb - - Wettstreit - - - wedstrijd nederlands - vas vadis, latijn
*wal(-dh) indoeuropees (kracht, sterk zijn ) - valere latijn (sterk zijn) - - evaluatie - - valuta - - walesius - - - Valerius - - valoir oud Frans (waard zijn) - - - value Engels - *waldan germaans (heersen) - - walten duits (heersen) - - geweld nederlands - - wald germaans (heerser in veel namen, b.v. Ewoud, ee=wet, heerser naar de wet) e, Wobbe=heerser, uit wald-b - - - hrabanwald + hraban=raaf (voornaam) - - - - Ramoud(t), Ramoldus, Ramau(l)t, Ramoult (voornaam en achternaam) - - - Wal + burg=berschermen - - - - Walburg(is) naam (beschermende heerser) - - - Wal + heer (=leger) - - - - Walter, Wouter (voornaam, heerser over het leger, of sterk door zijn leger) - vlad slavisch algemeen (heersen) - - vlad + mar of mer(=mare, roem) - - - Vladmer slavisch (heersend in roem bv) - - - - vladimir (Volksetymologie: Later is Vladimir ook heerser over de wereld of heerser in vrede gaan betekenen omdat mir wereld of vrede betekent)
*wat, *wot Indoeuropees (geestelijk geanimeerd zijn) - vates latijn (waarzegger) - *wodha germaans - - Wuotan - - - Odin oud Ijslands (germaanse god, de woedende heer, god der doden) - - - Wodan angelsaksisch (germaanse god, de woedende heer, god der doden) - - - - wudensdach, wondsdach 1260 - - - - - woensdag - - woede 1588 - - wout oud hoogduits (buiten zinnen)
*wed indo-europees (nat (maken)) - wedor, wodor indo-europees (water) - - hydoor grieks (water) - - - koolhydraat + kool=koolstof - - - ud verkort - - - - u(n)da met nasaalinfix - - - - - unda latijn (golf) - - - - - - onde frans (golf) - - - - - - - ondule (golfje) - - - - - - - - onduleren (haar golven) - - woda russisch (water) - - - wodka verkleinwoord - - wato gotisch - - Wasser duits - - water nederlands en engels - - vatten zweeds - - udros indogermaans (waterdier) - - - hydra grieks - - - d > t germaanse klankverschuiving - - - - otter nederlands, engels en duits - wet engels (nat)
*wegh indoeuropees (per kar vervoeren) - vehere latijn (transporteren per kar of boot, op land of op zee) - - vehiculum latijn (voertuig) - - - vehikel - *wegh-ya - - via latijn (weg) - - - viare latijn (reizen) - - - triviaal. Zie bij 'drie'. - - - viaticus latijn (tot de reis behorend, bv cena v.=afscheidsmaal) - - - - viaticum zelfst. nw. (reisgeld, oorlogsbuit, welkomstmaal) - - - - - voyage frans 1080 (eerst pelgrimstocht of kruistocht, later 15e eeuw de huidige beteknis: reis) - - - voie frans (weg enz.) - - - - fooie middelnederlands (tocht, afscheidsmaal, feestmaal geschenk, later geschenkmaaltijd voor werklieden als het huis onder dak is) - - - - - fooi - - - viana laat latijn (aan de weg gelegen) - - - - Viane oost vlaanderen en Vianen utrecht (nederzetting aan de weg gelegen) Plaatsnamen - - - - - Vianen. Achternaam in allerlei variaties - *wega germaans (zich voortbewegen) - - wigs gotisch (weg) - - way engels - - weg nederlands - - - in weg - - - - enweg oudnederlands (op weg, onderweg) - - - - - eweg - - - - - - weg bijwoord (weg) - - - wegen (in beweging brengen, wegen) - - - - bewegen - - - - gewicht - - - - - gewichtig - - - - waag (weegtoestel) - - - - - wagen (riskeren) - - - - wagen (voertuig) - - - - - waggon engels (wagon) - - - - - - wagon frans - - -- - - - wagon (treinwagon) - - - van-weghen middelned. (van de weg van, van de kant van) - - - - wegens - - Woge duits (golf)
*weid indoeuropees (zien) - veda sanskriet (ik weet) - - veda (hindoeboeken) - oida gr (ik weet) - eidos gr (uiterlijk) - - eidullion (afbeeldinkje) - - - idylle - eidolon (beeld) - - idool - idea (aspect, aanblik) - - idee, ideologie - wistor - - histor gr (weter, die wil weten) - - - historia (informatie) - - - - historie - witwos +wos (gelijk) - - isos gr (naar twee kanten verdeeld, gelijk) - - - isotherm +therm=warmte - - - isotoop +toop=plaats - videre latijn (zien) - - visio - - - visie - - - visioen - - - visiere oudfrans - - - - vizier - - visum - - - vue fr (gezien) - - - - deja vue - - visus (het zien) - - evident (wat je van ver ziet) - - provident (voorziende) - - - provisie (wat voorzien is) - - - prudentia (voorzichtigheid) - - - improviseren - - visere latijn (weer zien) - - - revisie - - - revue - witan germaans (letten op, regelen) - - witat voltooid deelwoord (geregeld) - - - wet nederlands (wet) - - witan frankisch (richting wijzen) - - - guider frans (leiden) - - - - guide engels (gids) "Gids" komt niet hier van maar van een zigeunerwoord - - wissen duits - - Witz d (geest, grap) - - - Heide Witzka Keulen (heidense betweter) - - weten nederl (ik heb gezien = ik weet) - - wijs (verstandig en manier) - - wis (wat je weet, zeker) - - - wiskunde +kennis - - wijzen (weten, wijzen)
*weig, weik indoeuropees (buigen, draaiend bewegen, wisselen) - vicia latijn (tuinbonen) - wijken, week (opzij bewegen, vervormbaar) - wikke (slingerende plant) - vicis, gen, vicem, vice (wissel, afwisselen) - - vice (wissel-) - - - vice-president (plaatsvervangend president) - - - vice-pferd Duits spreek uit vietse-pferd (paard-vervanger, fiets) - - - - fiets nederlands
*weik indoeuropees (bewoning, dorp) - oikos grieks (huis) - - economie + nomos gr=wet (wetten van het huis, economie) - vicus latijn (stadswijk) - - wijk (stadsdeel) - - wizing, wising oud fries - - wicing 700 oud engels - - - *wich oud engels (wijk) - - - - Sandwich Zie elders - ? vik oud ijslands (baai, kreek) - - - Vik oud noors (voegere naam voor Oslofjord) - - - - Vikingr 900 + uitgang ingr oudnoors (Vikingen) Het woord Viking is niet oud genoeg om aan te nemen dat de oorsprong in Scandinavie gelegen heeft. De Noormannen hebben het woord 'vik' ws uit Engelsnd opgehaald. Het 'waarschijnlijk' is uitgedrukt door het vraagteken. - - - - - Viking 1807 engels - - - - - Vikingen (noormannen, scandinavische piraten die van 700 tot 900 europese kusten en Rusland bezochten) - - - reykjavik + reykja=roken (rokende/dampende baai) - - - - Reykjavik Hoofdstad van IJsland) - *weick-s-la - - villa latijn (landgoed, boerderij)
*weip, *weib indoeuropees (zich draaiend, zwaaiend bewegen) - weibon oud hoogduits (zwaaien, zweven, instabiel zijn) - wippen middelned, middelhoogduits, (wippen) - to whip engels (wippen)
*wekwos indoeuropees (spreken) - *epein grieks. (spreken) Dit woord is verdwenen - - eipon verleden tijd gr (ik sprak) Deze vorm is gebleven. - - *wepos - - - epos gr (heldendicht) - - - - Kalliope naam van de muze van het epos. + kallos=schoonheid (Mooie stem of mooi gedichten opzeggen) - vox genitivus vocis latijn (stem, woord) - - vocare (roepen) - - - advocare (tot zich roepen, oproepen, bijstand verzoeken) - - - - advocaat
*wen indoeuropees (streven, en daaruit: wensen, liefhebben, bevredigd zijn) - latijn venus veneris (liefdegenot, verlangen naar..) - - Venus (godin van de Liefde) - *wenis germaans - - Wonne duits (lust) - *wen indoeuropees (bevredigd zijn, wennen) - - wonen - - gewoon - - waan (wat jou gewoon is, mening, vermoeden) - - - waanzin + zin=gezindheid, begeerte. Zin is alleen gevonden in duits en Nederlands. - - wens - - winnen
*wendh indoeuropees (wenden) - wenden (zich omdraaien) - - winden causatief van wenden (opdraaien) - - wandelen iteratief van wenden (herhaald zich wenden, wandelen) - - - vandali laat latijn (wandelaars, trekkersvolk) - - - - Vandalen ('n volk) - - - - - vandalisme - - - - - Vandalusië. Destijds zaten de Vandalen in Spanje. Later in Algiers als ik het goed heb. - - - - - - Andalusië (Streek in Spanje) - - wendeltrap + trap - - - wenteltrap - wand ((gevlochten) wand)
*wer indoeuropees (draaien) - *wert verlengde vorm, indoeuropees (draaien) - - vertere latijn (draaien) - - - vortex - - - versus vlt dlw van vertere - - - - universus +unus=een (op één punt gericht gezamenlijk, geheel) - - - - - universitas (het geheel) - - - - - - universiteit - - - - proversus latijn + pro=voor (naar voren gericht) - - - - - prorsus latijn (vooruit) - - - - - - prosus - - - - - - - oratio prosa latijn (redevoering, recht-toe recht-aan) - - - - - - - - proza - - *werd germaans t>d - - - -waards achtervoegsel (gewend naar) bv huiswaards - - - worden - *werb verlengde vorm, indoeuropees (draaien) - - *werp germaans b>p - - - werpen - - - - ontwerpen (opperen, beginnen iets (op tafel) te leggen.)) Voorvoegsel ont = het begin. Vertaling van latijn proiectare. - *werra germaans (verwarring, oorlog) - - werre oud engels - - - war engels - - guerre frans (oorlog). frans W > gu zoals wesp>quêpe, Wilhelm> Guillaume. Verdrong het latijnse woord bellum=oorlog wegens bel betekent ook mooi. - - guerra italiaans (oorlog) - - - guerilla verkleinwoord - - Wirre duits (verwarring) - - war nederlands - *wermis, wermos - - vermis latijn (worm) - - worm
*wel indoeuropees (willen, kiezen) - welpis - - elpis grieks (hoop) - velle latijn (willen) - voluntas latijn (wil) - willen - wählen duits (kiezen) - wohl duits (gewenst, naar wens, goed) - wel nederlands (gewenst, naar wens, goed bijwoordelijk) - - welsprekend + spreken
*wer indoeuropees (gunst, vriendelijkheid, vertrouwenwaardig, geloofwaardig, waar) - verus latijn (waar) - - vrai frans - - very engels - waar nederlands - wahr duits (waar) - waard nederlands (heer des huizes, gebieder, bewaker, kastelein) - - deurwaarder (deurbewaker) - Wirt duits (echtgenoot, gebieder, gastvriend, gastheer) - - Wirtschaft - weard oudengels (bewaker) - - hlaford oudengels (broodbewaker). hlaf=brood > loaf engels en weard - - - lord engels - - stigweard + stig=stal, huis (stal-, huisbewaarder) - - - steward - wardan frankisch (bewaken, bewaren) - - garder frans (bewaren) - - - garderobe + robe=kledingstuk. Robe komt van roven, nl. de kleren van gesneuvelde soldaten meenemen,
*wer indoeuropees (wol) - werwos (woldier) - - vervex latijn (woldier, schaap) - - - berbex, berbix laat latijn - - - - brébis 11e eeuw frans (schaap) - - - verbecarius laat latijn (schaapman, herder) - - - - berger frans (herder) - - - - - bergerette (herderinnetje) - - - - - bergerie (schaapskooi, herderszang)
*wer indoeuropees (wenden, torderen) - *wert verlengde vorm (wenden, torderen) - - vertere latijn (wenden) - - - advertentie - - - versus latijn (het omwenden) - - - - vers nederlands ((deel van) gedicht) - - - vertex, vortex latijn (draaiing, kruin, wervel) - - - - verticaal - - *werd germaanse klankverschuiving t>d (wenden) - - - '-waards' - - - - huiswaards + huis (naar huis) - - - werden duits ((zich) tot iets wenden, worden) - - - worden ((zich) tot iets wenden, worden) - - - *werd (tot iets gericht, waard bvnw) - - - - waard bijv nmw nederlands - - - - - waarde nederlands - - - - worth engels - *werm verlengde vorm - - vermis latijn (worm) - - - vermicelli italiaans verkleinwoord meervoud - - worm - *werg verlengde vorm (wenden, torderen) - - vergere latijn (buigen, hellen, gericht zijn) - - - divergentie - *werb verlengde vorm (wenden, torderen) - - *werp germaanse klankverschuiving b>p (draaien) - - - werpen (met draaiende arm wegleggen) - - - worp - - *rwerb verlengde vorm (draaiend verkleinen)?zie Duden - - - wrijven ? zie Duden bij reiben. - *werm verlengde vorm (wenden, torderen) - - vermis latijn (worm) - - - vermicelli italiaans (wormpjes) - - worm - *wremb verlengde vorm (draaien) - - *wremp geermaanse klankverschuiving (draaien) - - - romp
*wer indoeuropees (spreken) - wretor - - rhètor grieks (spreker) - - - rhetoriek - *werdh indoeuropees (spreken) - - verbum latijn (woord) - - woord - - - antwoord (tegenwoord) - - Wort duits - - word engels - - ord zweeds - *swer indoeuropees (plechtig uitgesproken) - - zweren - - and-swaru (tegen bevestigen) - - - answer engels (antwoorden)
*werg indoeuropees (werk) - ergon grieks (werk) - - energeia grieks (energie)+ voorzetsel en=in - - - energie - - organon grieks (werkinstrument) - - - orgaan - - - orgel - - cheirourgos grieks (handwerksman) + cheir=hand - - - chirurg - - geoorgeoo grieks, gè=land (op het land werken, boer zijn ) - - - geoorgos grieks (boer) - - - - George voornaam - - - - - Sjors, Joris - *werkan Protogermaans g>k - - werk
*wi indoeuropees (bijzonder, afzonderlijk, eigen) - vi sanskriet - idios grieks eigen, bijzonder - - idioma gr (bijzonderheid) - - - idioom - - idiotes gr (particulier, niet-vakman, man uit 't volk) - - - idioot - widar germaans (tegen) - - with engels (met) - - wider duits (tegen) - - - wederrechtelijk nederlands, stamt van duits widerrechtlich - - weder nederlands (tegen, terug) - - - weer (terug). Er zijn nog 5 andere homoniemen van weer! - wi-itos indoeuropees +wi=uiteen (uit elkaar gegaan) - - wit germaans (wijd) - - - wijd nederlands
*wir indoeuropees (man) - vir latijn - - virilis (mannelijk) - - virtus latijn (deugd) - - - virtuoos - - - virtueel - wair gotisch (man) - weerwolf + wolf (manwolf, bijgeloof: mens die tijdelijk in een wolf verandert) - weralt + alt=oud oudduits (tijdsbestek, zo oud de mens is) - - Welt duits (wereld) - - wereld
*wln europees (afscheuren, het afgescheurde=wol) - wel+so latijn - - vellere, vulsum latijn (aftrekken, vooral huiden en wol) - - - convulsie ((epilepsie-)aanval) - - - villus latijn (ruig haar of wol van dieren) - - - - villosus (harig) - - - - - velours (harig weefsel) - - - - veluel oudfr - - - - - fluweel - urna sanskriet (wol) - ioulos grieks (wollig, nesthaar, de eerste baardharen) - - iulius latijn (Deze stap wordt niet door iedereen erkend) - - - Gaius Iulius Caesar (Gaius Caesar met haren op z'n kin of waar?, naam) - - - - Julius (naam) - - - - - juli (maand) - - - - - Juliana - - - - - Julia Naam komt voor als naam van een Christin in Rom. 16.15 6 Julia(na)'s dienen als patroonheilige: Corsica 22 mei, martelares Troyes 21 juli, id Nicomedië 16 feb, Bologna 7 feb Luik, 5 april, Falconieri 19 juni Ga er maar aan staan! - - - - - Julienne (naam van iemand die niet meer geindentificeerd kan worden) - - - - - - juliennesoep (die persoon kon groente in fijne reepjes snijden) - - - - - Gillian engels - - - - - - Jill (naam) - lènos gr (wol) - wel+anos latijn - - lana latijn (wol) - wulla duits - - wollo - ull zweeds - wol - gwlan gallisch - - flanel - wlkwo, wlukwo indoeuropees (die verscheurt: wolf) - - lukos grieks (wolf) - - - Apollon lukeios + Apollo ((tempel van) Apollo de wolvendoder) - - - - lyceum - - lupus latijn (wolf) - - - loup frans - - - lupino italiaans (van de wolf) - - - - lupine (plant met blad lijkend op wolvepoot) - - wulfs gotisch - - - Ulfilas (wolfje, Arische bisschop van de wisigothen, 311-383 die nw testament in het gothisch vertaalde) - - wolf - - - weerwolf + weer=man, zie onder wir indoeuropees - - wolk russisch (wolf) - *... voltooid dlw germaans (afgetrokken loof, af te trekken loof, boom) - - *widuz germaans (bomen) - - - wudu oud engels - - - - wood engels hout - - - woud - - - walt oudhduits - - - - Wald Duits - - - gaud oudfrans (bos) - - - - gaudenne verkleinwoord - - - - - La Gaudaine en andere plaatsnamen - - - - - - Delgaudenne achternaam met veel bijvormen, b.v. Godenne en Gaudeyne
*ye indoeuropees (werpen) - yiyemi grieks (stamverdubbeling) - - hiemi grieks (werpen, doen gaan, zenden, uiten) - iacio, ieci, iactum III latijn (werpen, uiten, - - eiaculor I latijn (uitwerpen) - - - ejaculatie - - amicio IV latijn +amb=om (kleden, omhullen) - - - amict (schouderdoek van de priester tijdens de mis) - - adiacere latijn (bij iets liggen, naburig zijn) - - - adiacens (tgw. dlw.) - - - - aise fr (gemak) - - - - - malaise - - - - aize provençaals (aanliggend) - - - - - agio 14e eeuw italiaans (gemak, gelegenheid, speelruimte) - - - - - - adagio +ad=bij muziekterm (op z'n gemak) - - - - - ease engels (gemak) - - - - - - easy (gemakkelijk) - - obiicere latijn (tegenwerpen) - - - object - - - objectivus - - abicere (verwerpen) - - - abject (verachtelijk) - - iniicio - - - inicio (inwerpen) - - - - injectie - - subiicio - - - subicio (inwerpen) - - - - subject (onderwerp) - - - - - subjectief - - - sujet fr - - - - sujet nederlands ((onguur) persoon) - - proiicere - - - proicere (voorwerpen, vooruitwerpen) - - - - project - - - - projector - - traiicere latijn (tegenwerpen) - - - traject - - iactare latijn (vaak of haastig werpen) - - - jeter frans (werpen) - - - - to jet engels (spuiten) - - - - - jet (straalvliegtuig) - - gettare italiaans (gieten) - - - getto italiaans (getto). Er zijn meerdere verklaringen voor getto, bijv. van borghetto, voorstad. Deze verklaring zou kunnen omdat er in de aan de joden toegewezen wijk in Venetië gieterijen waren. - - - - getto
*ye indoeuropees (heilige formule, plechtig uitspreken) - iocus latijn (woordenspel, grapje) - - iocare (spelen) - - - jouer frans (spelen) - - - - jou-jou frans kindertaal (speeltje). Kindertaal verdubbelt in het Frans vaak: ka-ka=poepen faire pi-pi=plassen. - - - - - jojo nederlands (een speciaal speeltuigje, diabolo) - - - - jongleur - - - - jouel verkleinwoord (speeltje) - - - - - juweel - - jocus oudfrans - - - joke engels (grap) - - - - joker (kaart om een truc mee uit te halen) - - - jeu frans (spel) - *iech *ieh germaans k>ch>h - - bi-echt (+ bij, plechtig uitspreken, biecht) - - - biecht - - gicht middelnederlands (uitspraak, betovering) - - - jicht (ziekteveroorzakende betovering) - - jehan (bekennen) - - - gêne frans - - - - generen - *yewos indoeuropees (wetten, passend) - - ius, iuris latijn (recht, de wetten - wat als recht gesproken wordt, (-spraak), aanspraak op iets) - - - jurist nederlands - - - iustitia (rechtvaardigheid) - - - - justitie - - - iurare (eed afleggen, trans. met eed bevestigen) - - - iudex (+ dicere rechtsprekende) - - - iustus (rechtvaardig)
*yor indoeuropees (jaar) - horos grieks (uur) - - horologion grieks (kennis van de tijd) - - - horloge - hora latijn (uur) - - uur - *jaeran germaans - - jaar

G. Smeets.
Hoogstedelaan 3,
6812 DL Arnhem.
Telefoon 026 443 65

Naar hoofdpag etymologie

E-mail: aan@gielsmeets.nl
naar paginabegin

einde